Brief LOC aan Fracties

Aan de fractievoorzitters van de coalitiepartijen van CDA, PvdA en ChristenUnie

Geachte fractievoorzitters,

Met belangstelling heeft het LOC, het landelijk overlegorgaan coffeeshops bestaande uit de coffeeshopbonden ABC (Breda), Achterdeur (Tilburg), BCD (Amsterdam, en landelijk), PCN (landelijk), VOCM (Maastricht) en VRCO (Rotterdam), kennis genomen van het onlangs tussen de Tweede-Kamerfracties van CDA, PvdA en Christen Unie overeengekomen coalitieakkoord voor de komende regeerperiode, in het bijzonder voor wat betreft de passages daarin over de drugsproblematiek.
Er blijven voor ons echter een aantal onduidelijkheden, daarnaast hebben wij de indruk dat sommige zaken uit ons gedoogbeleid nog enige toelichting behoeven.
Ten einde te komen tot een voor alle partijen bevredigende oplossing van de voorziene problemen vragen wij uw aandacht voor het volgende.

Betreffende de nabijheid van coffeeshops bij scholen:
Het idee dat de aanwezigheid van een coffeeshop het gebruik onder minderjarigen stimuleert, is onjuist. Allereerst is het aantal minderjarige gebruikers in Nederland lager dan in andere landen . Ondanks het feit dat cannabis verkrijgbaar is in coffeeshops, is zowel het aantal actuele consumenten als de ‘ooitgebruikers’ in Nederland niet exorbitant hoog. Ter vergelijking: in Frankrijk, Spanje, de Verenigde Staten en Australië heeft respectievelijk 8, 10,11 en 13% van de bevolking het laatste jaar cannabis gebruikt; in Nederland is dit 6%. Dit betekent dat de verkrijgbaarheid van cannabis via coffeeshops niet bepalend is voor de omvang van het gebruik. De veronderstelling dat de aanwezigheid van coffeeshops de vraag creëert komt hiermee op drijfzand te staan.

Ten tweede is het gebruik onder minderjarigen in gemeenten zonder coffeeshops even hoog als in gemeenten mét coffeeshops. Een afstandscriterium ten opzichte van scholen of andere jeugdinstellingen is daarom overbodig . Bovendien mogen coffeeshops geen minderjarigen toelaten op straffe van (tijdelijke) sluiting.
Niemand wordt beter van symboolregelgeving. Ons motto zou zijn eerst onderzoeken, dan conclusies trekken en vervolgens regelen.

Er wordt op geen enkel moment in het akkoord de term verplaatsing gebruikt, alleen maar sluiting. Dus een verkapte manier om tot een stevige vermindering van het aantal coffeeshops in Nederland te komen ? Maar u weet toch zelf ook wel dat waar gedoogde verkooppunten gaan verdwijnen, er vast en zeker illegale verkooppunten zullen verschijnen.
Met ongewenste neveneffecten voor openbare orde handhaving en geen scheiding tussen hard en softdrugs als gevolg. Dus verplaatsing en/of spreiding van coffeeshops, maar zeker geen sluiting: wij weten allen vanuit onze jarenlange ervaring dat aanscherping van het coffeeshopbeleid en de handhaving vaker meer problemen veroorzaakt dan oplost.
( Ter vergelijking: ooit-gebruik onder 15-16 jarigen in Nederland is in 2003 28%; in Frankrijk is dat 38% en in de Verenigde Staten is dat 36% (NDM, 2006, p.44).IVO, 2006. )

Overigens heeft u met het coalitieakkoord een poging gedaan om de “droge” (geen alcohol) coffeeshop neer te zetten als een gevaar voor de jeugd in de samenleving. Maar iedereen weet waar het échte gevaar schuilt voor de jeugd. Meer dan 99 % van de cannabisconsumenten ervaart géén problematisch gebruik, maar 13 % van alle alcoholconsumenten dus duidelijk wél. Het is wel erg duidelijk waar de problemen liggen, maar alcohol is volledig ingeburgerd…. En ook het sterk toenemend overgewicht onder jeugdigen speelt een steeds grotere rol bij gezondheidsproblemen op latere leeftijd. Gaat u nu ook snackbars, supermarkten, cafés en andere “natte” (alcohol schenkende) horeca sluiten in de nabijheid van scholen ? Wij zouden het interessant vinden om uw mening hierover te vernemen.
Een recent onderzoek heeft uitgewezen dat de Nederlandse jeugd tot de gelukkigste ter wereld behoort. Dat zegt toch ook wel iets, nietwaar ?!

Betreffende het weigeren van experimenten:
De cannabis die in coffeeshops te koop is, wordt grotendeels in Nederland geproduceerd.
Kwaliteitscontrole bij de wietteelt behoort hierdoor niet alleen tot de mogelijkheden, maar is vanuit het oogpunt van de volksgezondheid noodzakelijk. Denkt u hierbij bijvoorbeeld aan het kunnen stellen van kwaliteitseisen en het geven van productinformatie aan de consument.
De roep om experimenten voor regulering van de achterdeur wordt steeds luider, ook vanuit de zijde van de beleidsmakers. Zo stelt het “Manifest van Maastricht” van december 2005, ook wel het plan Leers genoemd, voor om middels een of meerdere experimentlocaties te gaan beginnen met het opzetten van gecontroleerde hennepteelt.

Het is de hoogste tijd voor zulke experimenten, eens te meer omdat hiermee een deel van de overlast en illegale teelt in achterstandswijken kan worden weggenomen.
Minder inzet op handhaving door instanties zal hiervan het gevolg zijn, sterker nog: de staatskas kan worden gespekt met tientallen miljoenen euro’s winstbelasting die kwekers momenteel niet kunnen betalen, zonder dat dit wordt doorgemeld aan justitie. Maar ook het normaal kunnen betalen van de elektriciteitskosten door de kweker, zonder dat dit door de energieleverancier gemeld dient te worden aan justitie, kan hiermee worden gerealiseerd.

Steeds vaker wordt het belang van de volksgezondheid overschaduwd door het justitieel belang, hetgeen niet de bedoeling is van de Opiumwetgever. De teelt van wiet wordt hard aangepakt. Dit heeft geleid tot een (forse) daling van het aantal kwekers. We zien hierdoor dat de vraag naar nederwiet groter is dan het aanbod, met alle vervelende gevolgen van dien.
Uiteraard is illegale teelt in woonwijken een ongewenst nevenverschijnsel, maar zo lang er niets fatsoenlijks geregeld wordt door de regering zal het verschijnsel omvangrijk blijven.
Vandaar dat naar onze mening het van groot belang is om de hele keten (dus van achterdeur tot voordeur) te reguleren en te controleren zoals dit ook ooit voor alcoholproductie en verkoop is ingesteld (zie drank- en horecawet).
We kunnen er met z’n allen als consument, regionale en landelijke overheid en de cannabisbranche alleen maar op vooruit gaan, dus waarom wachten we eigenlijk zo lang ?!
Graag hierover uw visie.
Verdere stappen voor regulering worden altijd van de hand gedaan, omdat dit niet mogelijk zou zijn vanwege de internationale verdragen die Nederland heeft ondertekend. Deze verdragen zijn echter gebaseerd op achterhaalde wetenschappelijke kennis. Nederland zou daarom in Europees en internationaal verband meer moeten aandringen op een evaluatie van die verdragen die gebaseerd is op actuele wetenschappelijke kennis. Een uitstekende gelegenheid hiervoor is de evaluatie van het Europese drugsbeleid in 2008 te Wenen, zeker nu we zien dat steeds meer Europese landen ons beleid volgen: decriminalisering van cannabisconsument en het toestaan van kleine hoeveelheden voor consumptie.
Welke stelling gaat Nederland daar innemen omtrent ons softdrugsbeleid ? Wij zouden er belang aan hechten als ons beleid met verve geprezen wordt door de Nederlandse vertegenwoordigers aldaar: de cijfers spreken immers voor zichzelf. Gaarne uw visie hierover.

Tijdens de hoorzitting achterdeur problematiek van de vaste kamercommissie van justitie op 9 februari 2006 heeft mr. Raimond Dufour, voorzitter van de Stichting Drugsbeleid, uiteengezet dat binnen de internationale drugsverdragen een regulering van de achterdeur wel degelijk mogelijk is op grond van de artikelen 22 en 28 van het E.V. of door uitbreiding van het opportuniteitsbeginsel. Bij deze hearing werd deze opvatting door een van de van regeringszijde aangevoerde deskundigen bestreden, maar de andere deskundige van regeringszijde erkende dat Dufour hier een sterk argument had. Zijn conclusie was dat het daarom een politieke en niet een juridische kwestie was. Bovendien zijn er geen reële sancties te verwachten of regulering nu wel of niet mag volgens de verdragen

Betreffende het tegengaan van coffeeshops in de grensstreek:
Het is voor ons moeilijk in te schatten wat u hiermee precies bedoeld, of wenst te bereiken.
Allereerst is de betekenis van een coffeeshop in het midden van het land dezelfde als van een coffeeshop in de grensstreek. Dus met een grote sociale en economische functie voor het gebied waarin de onderneming gevestigd is. Verder dient het gedoogbeleid een dubbel doel: decriminalisering van de cannabisconsument en beperking ongewenste neveneffecten, ook in de grensstreek. Laat de regio dus zelf beslissen of er in overleg met de branche winst te behalen is door spreiding of deconcentratie. Leg als overheid geen onnodige extra belemmeringen op: zij werken verlammend op de samenwerking tussen partijen.
Zo is het ook bedoeld volgens de cannabisbrief uit 2004, die stelt dat de oplossing voor coffeeshopproblematiek maatwerk in de regio moet zijn.

Geen experimenten met het gedoogbeleid, zoals geuit in het coalitieakkoord, betekent overigens dan ook dat er geen ruimte is voor de zogenoemde pilot Donner: een experiment om duidelijkheid te verschaffen over de juridische haalbaarheid om niet ingezetenen (lees buitenlanders) te weren uit de Nederlandse coffeeshops. Dit loopt sinds maart 2006.
Behalve discriminerend is het ook een experiment waar niemand op zit te wachten, behalve uiteraard het illegale circuit: zij spinnen garen bij dit soort initiatieven.

Betreffende het stoppen met gedogen:
Ook de cannabisbranche zou het toejuichen indien u stopt met de gedoogpraktijk en wettelijke regels gaat instellen voor de productie, verkoop en consumptie van cannabisproducten, net zoals dat ook is gebeurd met de drank- en horecawet.
Wij nemen aan dat alle betrokken partijen hier dezelfde mening zijn toegedaan.

Stoppen met gedogen, en vervolgens daar niets voor in de plaats stellen betekent dat Nederland vaarwel zou zeggen tegen een bewezen succesvol scheidingsbeleid tussen drugs met een acceptabel risico voor de volksgezondheid (softdrugs), en drugs met een onacceptabel risico (harddrugs). En dat zou, gelet op de Nederlandse resultaten in verhouding tot andere landen, pas écht leiden tot een stevige stijging van gemengd drugsgebruik.

Het Nederlands softdrugsbeleid werkt, en daar mogen we met z’n allen best wel eens wat méér trots op zijn !!

Het valt de branche dan ook op dat de huidige discussies over gedoogbeleid en regulering van de achterdeur telkens verzanden in een aantal onbewezen wetenschappelijke stokpaardjes zoals: gevolgen van een hoger THC gehalte en ligging van coffeeshops in de buurt van scholen. Begrijpelijk, de beeldvorming over coffeeshops en cannabis is voor een belangrijk deel gebaseerd op berichtgeving in de media. Vanwege de onduidelijke status – voortkomend uit de gedoogsituatie – leent dit thema zich uitermate goed voor allerlei misvattingen en (vaak ongenuanceerde) sensatieverhalen. Dit effect is bijvoorbeeld waarneembaar bij de presentatie van nieuwe onderzoeksresultaten. Voor u als bestuurder is het daarom belangrijk om niet te generaliseren, en u vooral heel goed te laten informeren.
Uiteraard zijn wij altijd gaarne bereid tot het verstrekken van nadere informatie.

Wij treden graag met u in overleg teneinde onze vragen beantwoord te krijgen.

Inmiddels verblijven wij, met de meeste hoogachting,

Landelijk Overlegorgaan Coffeeshops

Platform Cannabis Ondernemingen Nederland W. Panders
Bond van Cannabis Detaillisten M. Jacobsen
Actieve Bredase Coffeeshopondernemers M. van der Wal
Vereniging Rotterdamse Coffeeshop Ondernemers M. Bruin
Vereniging De Achterdeur Tilburg W. Vugs
Vereniging Officiële Coffeeshops Maastricht M. Josemans

Informatie en/of reacties: info@loc.opweb.nl

P.S. Ter informatie zal een kopie van deze brief ook aan fractievoorzitters van de overige
partijen worden verstuurd.

Brief aan Minister Klink

Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De heer A. Klink Postbus 20350 2500 EJ Den Haag
Onderwerp: rookverbod en coffeeshops
Geachte minister Klink,
Uit ons laatste overleg tussen ambtenaren van VWS, Justitie, BZK en het LOC, het landelijk overlegorgaan coffeeshops bestaande uit de coffeeshopbonden ABC (Breda), Achterdeur (Tilburg), BCD (Amsterdam, en landelijk), PCN (landelijk), VOCM (Maastricht) en VRCO (Rotterdam), kwam duidelijk naar voren dat bij de invoering van de tabakswet de implicaties voor de cannabisconsument en de branche over het hoofd zijn gezien. Ter vergadering werd dit ook volmondig erkend van de zijde van uw departement.

Ten einde te komen tot een voor alle partijen bevredigende oplossing van de voorziene problemen vragen wij uw aandacht voor het volgende.

Het invoeren van een rookverbod in de horeca krijgt steeds duidelijker gestalte. De gedoogde verkooppunten van cannabisproducten, de zogeheten coffeeshops of koffieshops, worden tot de “droge” (zonder alcohol) horeca gerekend. De verkoop van cannabis staat in de coffeeshop centraal, terwijl de horeca activiteiten gewoonlijk slechts van bijkomende dienstverlenende aard zijn, desondanks worden coffeeshops niet aangemerkt als winkelbedrijven. De achterliggende gedachte hierbij is dat langs de weg van de horecavergunning eisen kunnen worden gesteld aan de persoon van de exploitant en zijn inrichting. De gemeentelijke overheid is immers niet bevoegd vergunning te verlenen voor de verkoop van cannabis.

De verkoop van cannabis vanuit coffeeshops wordt in het belang van de volksgezondheid en de openbare orde onder strikte voorwaarden gedoogd. Dit gedoogbeleid is niet gebaseerd op een gebrek aan handhavingcapaciteit, maar berust op een doelbewuste weging van belangen Dit beleid heeft decriminalisering van de consument als doel, en beoogd te voorkomen dat de drugsmarkten zich vermengen en dat de handel in cannabis de openbare orde verstoort.
Zo weten we inmiddels dat meer dan 99% van de cannabisconsumenten geen problematisch gebruik kent en zien we ook dat de aanwezigheid van coffeeshops niet leidt tot een toename van de vraag naar cannabis. We zien zelfs dat in Nederland het cannabisgebruik onder het internationaal gemiddelde ligt, specifiek bij jeugdigen dat met een gebruik van 20 % aanmerkelijk lager ligt dan in andere landen (Trimbos NDM 2006).
Daarnaast behoren coffeeshops tot de strengst gecontroleerde ondernemingen in Nederland.

Is het wenselijk dat door de tabakswet en het daarbij behorende rookverbod de verworvenheden van het coffeeshopbeleid worden ondermijnd ?

De tabakswet verzet zich tegen het roken van tabak in een horecalokaliteit. De tabakswet ziet echter niet op het roken van pure cannabis. Dit betekent dat de bezoekers van de coffeeshop door invoering van de tabakswet in de shop nog wel pure cannabis zouden mogen roken, maar geen tabak! In Nederland wordt cannabis in 95 % van alle gevallen traditioneel gerookt in combinatie met tabak. De bezoekers die gewoontegetrouw cannabis in combinatie met tabak willen roken, zullen uitwijken naar andere plekken. Hierbij moeten we onder ogen zien dat steeds meer gemeenten overgaan tot het invoeren van een blowverbod op straat, in de horeca en andere voor publiek toegankelijke ruimtes. Dus krijgt de coffeeshop een nog grotere sociale functie voor het gebied waarin de onderneming gevestigd is. Nu is het reeds een van de weinige plekken waar waarachtig sprake is van integratie in onze samenleving.
Het openlijk blowen wordt kennelijk door velen als hinderlijk aangemerkt. Dit betekent dat het in het belang van de openbare orde is om de coffeeshop als “rookplaats” te gedogen, omdat het blowen elders wordt ontmoedigd. Waar anders kan een cannabisconsument nog terecht als hij/zij niet thuis wil roken wegens bijvoorbeeld de aanwezigheid van jeugdigen, en er elders ook reeds een blowverbod is… De coffeeshop is een ruimte voor rokers van cannabis. Er zijn in die zin geen raakvlakken met de reguliere horeca.

Door het toekomstig rookverbod degradeert de functie van de coffeeshop tot een soort afhaalcentrum. Hierdoor zullen wij niet meer optimaal kunnen voldoen aan het geven van voorlichting aan onze klanten (een uitgesproken wens van het kabinet), hetgeen een slechte maatschappelijke ontwikkeling zou zijn. Maar ook de klant heeft dan niet meer veel baat bij het kopen in de coffeeshop, en zal liever bij de goedkopere thuisadressen, namelijk geen zakelijke onkosten, zijn product halen met alle negatieve ongewenste bijverschijnselen van dien. En daarmee wordt de scheiding der drugsmarkten weer onderuit gehaald: het is ons gezamenlijk streven om dit nu nét te voorkomen !! En de extra overlast wordt gegarandeerd weer op het bord van de coffeeshopondernemer geschoven.
Daarnaast hebben een groot aantal gemeenten net de wens uitgesproken richting de coffeeshopondernemers om hun zaken niet tot een afhaalcentrum te laten verworden.

Zoals eerder gesteld werd ons medegedeeld dat wij in de besprekingen over deze wetgeving helaas over het hoofd waren gezien. Daarom vonden wij het vreemd om te moeten vaststellen dat er door de Tweede Kamerleden Kant en Schippers op 25 november 2003 een motie is ingebracht waarin de regering wordt verzocht om te komen met voorstellen voor een regeling waardoor roken in coffeeshops mogelijk blijft (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 200 XVI, nr.61).

In de brief met het kenmerk POG/GB 2.442.281, geeft toenmalig minister H. Hoogervorst als reactie hierop aan dat hij de motie voorbarig vind omdat er immers nog steeds een uitzonderingspositie bestaat voor de horeca, dus ook voor de coffeeshops.

Desalniettemin blijkt uit de stemming vervolgens dat deze motie wordt aangenomen (Tweede Kamer Stemmingen 2 december 2003 TK 31 pag. 31-2176).

Onze vraag aan u is dan ook: zijn er inmiddels voorstellen vanuit regeringszijde waarbij de inzet is dat het roken van tabak in coffeeshops mogelijk blijft ?
Bent u bereid deze voorstellen op korte termijn met ons te bespreken om zodoende tot een voor alle betrokken partijen bevredigende oplossing van de voorziene problemen te kunnen komen ?

Natuurlijk nemen wij wel degelijk maatregelen om tabaksgebruik te ontmoedigen en de rook zo veel mogelijk te neutraliseren. Om tabaksgebruik te ontmoedigen hanteren we bijvoorbeeld de uitleen van zogenoemde “vaporizers” die het cannabisproduct verdampen zonder dat hier de schadelijke gevolgen van het roken van tabak aan vast zitten. Verder uiteraard de rook zo veel mogelijk neutraliseren door het plaatsen van rookreinigers en ventilatiesystemen van meer dan afdoende kwaliteit en vermogen. Het instellen van afgescheiden gedeelten voor tabakrokers kan in de meeste coffeeshops om ruimtetechnische en/of bouwtechnische redenen niet plaatsvinden. Grotere zaken hebben hier misschien wel mogelijkheden voor.

Wij vragen daarom nogmaals aan het ministerie van VWS om de door ons gevraagde uitzonderingspositie binnen de tabakswet toe te kennen, en ons een gedoogstatus toe te kennen die ons niet ontslaat van verplichtingen, maar die wel leidt tot het tegengaan van tegenstrijdig beleid door de overheid zelf. In een coffeeshop moet men kunnen blijven roken.
Vanwege diezelfde volksgezondheid- en handhavingaspecten waarvoor 31 jaar geleden ook het gedoogbeleid is ingevoerd.
Altijd gaarne bereid tot het verstrekken van nadere informatie,
met vriendelijke groet,

Hoogachtend,
Landelijk Overlegorgaan Coffeeshops

Platform Cannabis Detaillisten W. Panders
Bond Cannabis Detaillisten M. Jacobsen
Actieve Bredase Coffeeshopondernemers M. van der Wal
Vereniging Rotterdamse Cannabis Ondernemers M. Bruin
Vereniging De Achterdeur Tilburg W. Vugs
Vereniging Officiële Coffeeshops Maastricht M. Josemans

Informatie: info@loc.opweb.nl

Manifest 30 jaar gedogen

MANIFEST 30 JAAR GEDOGEN

Inleiding

In 1976 is de Opiumwet gewijzigd. Daardoor ontstond in Nederland een andere houding ten opzichte van cannabis. Deze houding kennen we tegenwoordig als het gedoogbeleid. Het gedogen van cannabis duurt inmiddels 30 jaar. In die 30 jaar is er veel veranderd. Zo worden cannabisproducten anno 2006 in gedoogde coffeeshops verkocht, wordt de consument niet meer als een crimineel beschouwd en vindt de productie van cannabis ook voor een belangrijk deel in Nederland plaats.
Ondanks grote belangstelling voor het gedoogbeleid in binnen- en buitenland is in de afgelopen 30 jaar nooit onderzocht in hoeverre de beoogde doelen (de scheiding der markten en decriminalisering van cannabisconsumenten) behaald zijn, en wat de bijdrage van coffeeshops daarin is.

De opstellers van dit “Manifest 30 jaar gedogen” zijn vanuit hun functie bij organisaties en instellingen nauw betrokken bij het cannabisbeleid of zijn zelf werkzaam in de coffeeshopbranche. Zij roepen de overheid op de gevolgen van 30 jaar gedogen breed te evalueren. Daarna kan op een zakelijke en feitelijke wijze worden nagedacht over verdere stappen. Deze evaluatie kan een eerste stap zijn om effectiever op te treden tegen eventuele uitwassen van het gedoogbeleid en op een realistische en pragmatische manier met cannabis om te gaan.

De opstellers zullen zich, ieder binnen de eigen verantwoordelijkheid en invloedssfeer, inspannen om de inhoud van dit manifest toe te lichten.

Namens de opstellers,

Nicole Maalsté

Myranda Bruin

Ronald Motta

Marc Josemans

Korte geschiedenis

Dertig jaar geleden, op 18 oktober 1976, is in Nederland de basis gelegd voor het huidige gedoogbeleid door cannabis op lijst 2 van de Opiumwet te plaatsen. Bij wet van 1 november 1976 (Stb. 425) is de Opiumwet van 1928 ingrijpend gewijzigd. Een van de voornaamste wijzigingen was dat het bezit van en binnenlandse handel in hennepproducten weliswaar strafbaar bleven, maar dat bij kleine hoeveelheden (niet meer dan 30 gram) niet langer sprake was van een misdrijf maar van een overtreding.
Het beoogde doel was om de markten van drugs met een zo geheten aanvaardbaar risico te scheiden van drugs met een onaanvaardbaar risico. In de volksmond gaat het hier om het uit elkaar houden van soft- en harddrugs.
De ratio achter deze scheiding is dat de overheid wil voorkomen dat consumenten bij de aanschaf van cannabis (soft drugs) in aanraking komen met andere drugs.
In de praktijk betekent dit dat cannabis een lagere opsporingsprioriteit kent en dat de verkoop onder strikte voorwaarden is gedoogd.
Een tweede doelstelling was het decriminaliseren van de cannabisconsument.

Uit de Richtlijnen voor het opsporing- en vervolgingsbeleid inzake strafbare feiten voor de Opiumwet, Stcrt. 1980, nr. 137 blijkt dat aanvankelijk slechts de huisdealer werd gedoogd. Als huisdealer werd beschouwd de handelaar in hennepproducten, die met het vertrouwen en onder bescherming van de staf van een jongerencentrum met uitsluiting van anderen gelegenheid kreeg in dat jongerencentrum hennepproducten te verkopen. Alleen als de huisdealer zich publiekelijk zou afficheren of op een andere wijze provocerend zijn handel zou bedrijven werd in overleg met het lokale bestuur tot strafrechtelijk ingrijpen overgegaan.
Al snel verschoof de handel in cannabis van de jongerencentra naar coffeeshops. Deze zaken werden vanwege de geringe opsporingsprioriteit voor cannabis ongemoeid gelaten zonder dat er sprake was van een formeel vastgesteld gedoogbeleid.
In deze coffeeshops werden regels vanuit de shop vastgesteld waar klanten zich aan moesten houden, de zgn. huisregels, die later de basis vormden voor het landelijk gedoogbeleid. In december 1991 is door de vergadering van procureurs-generaal besloten het in de verschillende arrondissementen ontwikkelde “AHOJ beleid” (geen Affichering, geen Harddrugs, geen Overlast, geen verkoop aan personen Jeugdigen onder 18 jaar, maximale verkoophoeveelheid 30 gram) te verheffen tot landelijk beleid.
Deze richtlijn werd pas op 21 oktober 1994 gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 203).
Hierdoor is de unieke situatie ontstaan dat cannabis in Nederland te koop is via coffeeshops die daarvoor een speciale “gedoogvergunning” hebben.

MANIFEST PAGINA 1

Cannabis is wereldwijd de meest gebruikte illegale drug. Het is na alcohol zelfs de meest verspreide drug en cannabis heeft dan ook een rijke historie van gebruik. Het bewustzijnsveranderende gebruik was tot 500 AD voornamelijk in India te vinden, daarna verspreidde het gebruik zich naar Europa, Noord-Afrika en later ook naar de Amerika’s.

2 MILJOEN NEDERLANDERS HEBBEN WEL EENS EEN JOINTJE GEROOKT.
Cannabisgebruik is niet gebonden aan bepaalde typen mensen en het gebruik komt in alle lagen van de samenleving voor. Het varieert van experimenterende pubers tot consumenten van middelbare leeftijd, tot mensen met medische ziekten zoals: kanker, MS of aids. In Nederland hebben meer dan 2 miljoen mensen ooit in hun leven cannabis geprobeerd.
Er zijn 408.000 actuele gebruikers en 78.000 dagelijkse gebruikers.
De startleeftijd ligt rond het 13e levensjaar en is al sinds 1996 stabiel. Cannabisgebruik komt het meest voor bij jongeren van 20 tot 24 jaar.

99% VAN DE CONSUMENTEN VERTOONT GEEN PROBLEMATISCH GEBRUIK.
Voor het merendeel van de consumenten is cannabisgebruik niet gerelateerd aan (ernstige) gezondheidsschade.
Het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Nieuwe Drugs (CAM), een commissie die de overheid informeert over de schadelijkheid van stoffen, stelt dat er “geen argumenten zijn om cannabis als een gevaarlijke drug te bestempelen” en “dat de gevolgen van het gebruik van cannabis op meerdere punten minder ernstig zijn dan die van alcohol of tabak”1.
Het overgrote deel van de consumenten ervaart vooral positieve effecten en heeft het gebruik onder controle. Cannabis is in vergelijking met andere illegale drugs weinig verslavend. Toch kan cannabisgebruik ook risico’s met zich meebrengen. Hoewel er (nog) geen aanvaarde definitie van problematisch cannabisgebruik bestaat2, blijkt uit onderzoek dat 0,3 tot 0,8% volgens de DSM-III-r tot problematische cannabisgebruikers behoort.

AANWEZIGHEID VAN COFFEESHOPS LEIDT NIET TOT EEN TOENAME VAN DE VRAAG.
Ondanks het feit dat cannabis verkrijgbaar is in coffeeshops, is zowel het aantal actuele consumenten als de ‘ooitgebruikers’ in Nederland niet exorbitant hoog. Ter vergelijking: in Frankrijk, Spanje, de Verenigde Staten en Australië heeft respectievelijk 8, 10,11 en 13% van de bevolking het laatste jaar cannabis gebruikt; in Nederland is dit 6%.
Dit betekent dat de verkrijgbaarheid van cannabis via coffeeshops niet bepalend is voor de omvang van het gebruik.
De veronderstelling dat de aanwezigheid van coffeeshops de vraag creëert komt hiermee op losse schroeven te staan.

DE HELFT VAN DE CONSUMENTEN KOOPT CANNABIS NIET IN DE COFFEESHOP.
Cannabis is overigens niet alleen verkrijgbaar in coffeeshops. Ongeveer de helft van de consumenten van 18 jaar en ouder haalt zijn cannabis bij de coffeeshop (47%)3.

1 CAM, 2003.
2 NDM, 2005, p.39.
3 NDM, 2005, p.33.

PAGINA 2
De andere helft koopt cannabis bij een illegaal verkooppunt, krijgt het via vrienden en/of bekenden of kweekt zijn eigen wiet.
De belangrijkste redenen om niet bij een coffeeshop te kopen zijn de prijs, de hoeveelheid en de afstand tot de dichtstbijzijnde coffeeshop.
Hierbij gaat het om consumenten die meer dan 5 gram willen kopen (bijvoorbeeld omdat zij ver van een coffeeshop wonen) en (veel)gebruikers voor wie de cannabis in de coffeeshop te duur is.
En omdat 78% van de Nederlandse gemeenten geen coffeeshops toelaten (nuloptie) is de afstand naar de coffeeshop in sommige gebieden vaak ook een probleem.
Hierdoor ontstaat in deze gemeenten een illegaal netwerk van cannabisverkooppunten waarmee de openbare orde en de volksgezondheid niet gediend worden, terwijl dit toch belangrijke pijlers van het gedoogbeleid zijn.

VEEL COFFEESHOPS HEBBEN EEN SOCIALE FUNCTIE.
Met name in de grotere steden maken coffeeshops een geïntegreerd onderdeel uit van de functies van dit gebied en leveren een bijdrage aan het uitgaansleven en de toerisme-industrie. Zij vormen een natuurlijk onderdeel van het uitgaansleven. Het kopen of gebruiken van cannabis is niet de enige reden om deze gelegenheden te bezoeken4.
De coffeeshops vervullen hiermee een aanvullende functie binnen het complete pakket aan uitgaansmogelijkheden die grotere steden bieden5.
Daarnaast staan zij bekend als gelegenheden waar Nederlanders van verschillende afkomst zonder problemen bij elkaar komen en kunnen zij in dit opzicht als een van de weinige plekken worden gezien waar waarachtig sprake is van integratie6.

COFFEESHOPS ZIJN IN FISCAAL OPZICHT REGULIERE ONDERNEMINGEN
Coffeeshophouders zijn in fiscaalrechtelijk opzicht regulier aan heffing onderworpen.
Zij dragen net als iedere andere onderneming belasting af over hun winsten (inkomsten- of vennootschap-).
Over de personeelsleden die werkzaam zijn in coffeeshops dragen zij loonbelasting en sociale premies af. Volgens het oordeel van de Centrale Raad is de coffeeshophouder premieplichtig over zijn personeel7.
Hiermee staat vast dat het gedoogbeleid diep in onze samenleving is geworteld. De Centrale Raad volgt hierin de consistente zeer langdurige gedoogpraktijk en niet de formele Opiumwet.
In bijna 80% van de gemeenten is de consument voor de aanschaf van cannabis op het niet-gedoogde circuit aangewezen
Als gevolg van het steeds strengere handhavingsbeleid neemt het aantal coffeeshops in Nederland elk jaar af. De afgelopen zes jaar daalde het aantal coffeeshops van 846 in 1999 naar 729 aan het einde van 2005.
Deze ondernemingen liggen verspreid over 105 Nederlandse gemeenten. Ongeveer de helft van de coffeeshops ligt in een van de drie grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag).
In 78% van de Nederlandse gemeenten zijn er geen coffeeshops8. Deze gemeenten hanteren een nuloptie.

LIGGING VAN DE COFFEESHOPS HEEFT GEEN INVLOED OP HET GEBRUIK ONDER MINDERJARIGEN.
Het idee dat de aanwezigheid van een coffeeshop het gebruik onder minderjarigen stimuleert, is onjuist. Allereerst is het aantal minderjarige gebruikers in Nederland lager dan in andere landen.

4 Maalsté, 1994; Maalsté e.a., 2005
5 Dienst Onderzoek en Statistiek Amsterdam, 2003, factsheet nr. 5.
6 Loor de, 1994.
7 Zie: AB 2002/207, 21 februari 2002: “Aangezien de verkoop van softdrugs in een gedoogde coffeeshop is toegestaan althans niet kan leiden tot strafvervolging, is de verkoop van softdrugs in een gedoogde coffeeshop naar het oordeel van de Raad niet in strijd met de openbare orde. Daarom is de Raad van oordeel dat ook de arbeidsovereenkomst tussen de houder van een gedoogde coffeeshop en de verkoper van softdrugs in een gedoogde coffeeshop naar inhoud noch strekking in strijd is met de openbare orde, zodat van een nietige overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 1 BW geen sprake is”.
8 Bieleman e.a., 2006.

PAGINA 3
Ten tweede is het gebruik onder minderjarigen in gemeenten zonder coffeeshops even hoog als in gemeenten mét coffeeshops.
Een afstandscriterium ten opzichte van scholen of andere jeugdinstellingen is daarom overbodig10.
Bovendien mogen coffeeshops geen minderjarigen toelaten op straffe van (tijdelijke) sluiting.

HET GEDOOGBELEID RICHT ZICH UITSLUITEND OP DE VOORDEUR.
De verkoop van cannabis via coffeeshops wordt gedoogd. Dit betekent niet dat cannabis geen illegale drug meer is, maar dat de verkoop van cannabis onder strikte voorwaarden wordt gedoogd.
Deze voorwaarden, de zogenoemde AHOJ-G criteria11, worden streng gecontroleerd door lokale handhavingambtenaren. Daarnaast hebben gemeenten vaak nog eigen voorwaarden aan coffeeshops in een lokaal gedoogbeleid vastgelegd12.
De afwezigheid van coffeeshops betekent overigens niet dat een gemeente geen beleid voert ten aanzien van coffeeshops. In 2005 blijkt slechts 5% van de gemeenten geen coffeeshopbeleid te hebben. Verder voert 72% van de gemeenten een nulbeleid, 22% een maximumbeleid en 1% een beleid zonder maximum13.

Het gedoogbeleid kent alleen voorwaarden voor de verkoop van cannabis (de zogenoemde voordeur) en regelt niets voor de productie en groothandel (ofwel de achterdeur). In de loop der jaren zijn de eisen aan die voordeur steeds groter geworden, terwijl er niet of nauwelijks controle is op de achterdeur.
In dit kader zien we wel een grotere inzet en strengere controle op de illegale teelt, die de toelevering sterk beïnvloedt.

AANBOD VAN NEDERLANDSE WIET IS ENORM TOEGENOMEN.
In de jaren ’80 rookten de meeste consumenten hasj. Een klein deel rookte buitenlandse wietsoorten (zoals Colombiaanse of Thaise wiet).
Het aanbod van de wiet van eigen bodem was zeer beperkt en de kwaliteit werd als inferieur beschouwd.
Intussen is de kwaliteit van de wiet van eigen bodem zo enorm toegenomen, dat deze de andere hasj- en wietsoorten langzaam maar zeker steeds meer uit de markt heeft verdreven.
Inmiddels verkoopt een gemiddelde coffeeshop 70 tot 80% Nederlandse wiet en 20 tot 30% buitenlandse wiet en hasjsoorten14. De consumentenvoorkeur van hasj naar Nederlandse wiet heeft zich in Nederland in minder dan tien jaar voltrokken15.

EEN VERHOGING VAN HET THC GEHALTE LEIDT NAUWELIJKS TOT EXTRA RISICO’S.
Sinds 1999 voert het Trimbos instituut onderzoek uit naar het THC gehalte van cannabis die in Nederlandse coffeeshops verkrijgbaar is.
Hieruit blijkt dat het THC gehalte in hasj en buitenlandse wiet al jarenlang stabiel is en dat het THC gehalte in nederwiet na een toename nu eveneens stabiel is16.
Bovendien is tot op heden niet duidelijk in hoeverre een toename van het THC gehalte schadelijke effecten heeft op de gezondheid van de gebruiker.

9 Ter vergelijking: ooit-gebruik onder 15-16 jarigen in Nederland is in 2003 28%; in Frankrijk is dat 38% en in de Verenigde Staten is dat 36% (NDM, 2006, p.44).
10 IVO, 2006.
11 AHOJ-G richtlijnen Openbaar Ministerie sinds 1996: (geen affichering, geen harddrugs, geen overlast voor omwonenden, geen toegang voor jongeren onder de 18 jaar en geen verkoop van grote hoeveelheden: maximaal 500 gram handelsvoorraad in coffeeshop en maximaal 5 gram per persoon per dag).
12 Bijvoorbeeld: geen verkoop van alcohol in coffeeshops en/of geen concentratie van coffeeshops en APV wijzigingen.
13 Bieleman e.a., 2006.
14 St. Drugsbeleid, 1998, p.48; Jansen in: ESB, 5 april 2002, p.276.
15 Jansen in: Highlife, 2002/2003, jrg. 11, nr.6, p.28.
16 Overigens is het gemiddelde percentage THC van nederwiet nog steeds lager dan dat van geïmporteerde hasj (respectievelijk 17,5% en 18,7%). Zie: DIMS, 2006.

PAGINA 4
Het CAM heeft in 2003 een
deskundigenoordeel uitgebracht over cannabis met een verhoogd THC gehalte.
Op basis van de beschikbare gegevens komen zij tot de conclusie dat er “in het algemeen niet of nauwelijks extra risico’s zijn verbonden aan het gebruik van cannabis met een ‘hoger’ THC gehalte”.
Er zou mogelijk wel een licht verhoogd risico zijn voor “niet-gewende consumenten (personen die voor de eerste maal gebruiken zoals toeristen)”, maar dat ligt volgens de betrokken deskundigen “eerder aan het onbekend zijn met een juist gebruik van het middel, dan aan het THC gehalte”17.
In een recent artikel komen Engelse onderzoekers tot een vergelijkbare conclusie. Zij menen dat de verhoogde potentie op zich geen aanleiding geeft om te stellen dat er sprake is van grotere risico’s voor de volksgezondheid.
Om dat te kunnen vaststellen is er meer onderzoek nodig naar de relatie tussen de potentie, de dosis en problemen met betrekking tot cannabisgebruik18.

Onderzoek naar gebruikswijzen laat zien dat vooral jonge jongens kiezen voor sterke wiet. Andere consumenten matigen hun gebruik bij consumptie van cannabis met een hoger THC gehalte; voor hen heeft de toename van het THC gehalte dus geen consequenties19.
Verder blijkt uit een onderzoek van het RIVM20 naar korte termijn effecten van sterke wiet, dat de effecten op de gezondheid niet dermate ernstig worden geacht dat ze tot een verandering van het huidige wettelijk regime voor cannabis nopen21.
Ook cannabissoorten met een hoger THC gehalte kunnen nog steeds als soft drug worden beschouwd.

KWALITEITSEISEN STELLEN AAN NEDERWIET VAN BELANG VOOR VOLKSGEZONDHEID.
Uit een onderzoek naar bestrijdingsmiddelen in nederwiet22 blijkt dat de helft van de in 1999 onderzochte monsters bestrijdingsmiddelen bevatte. Het onderzoek kan geen uitsluitsel geven over de risico’s van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van de gebruiker.
Wel achten de auteurs het aannemelijk dat de telers zelf een verhoogd risico lopen bij het toepassen van bestrijdingsmiddelen. Er zijn signalen vanuit de branche dat het gebruik van (schadelijke) bestrijdingsmiddelen in de wietteelt toeneemt.
In het kader van de volksgezondheid is het gewenst kwaliteitseisen te kunnen stellen aan de in coffeeshops aangeboden nederwiet.
Steeds vaker wordt het belang van de volksgezondheid overschaduwd door het justitieel belang, hetgeen niet de bedoeling is van de Opiumwetgever.
De teelt van wiet wordt hard aangepakt. Dit heeft geleid tot een (forse) daling van het aantal kwekers. We zien hierdoor dat de vraag naar nederwiet groter is dan het aanbod.
Dit heeft niet alleen geleid tot (forse) prijsstijgingen, maar ook tot het bewerken van nederwiet! Steeds vaker bewerken winstbeluste handelaren wiet met onbekende producten teneinde het gewicht van de wiet te verhogen.
Het effect op de gezondheid van de consument bij het gebruik van deze vaak moeilijk op te sporen gewichtsverhogende producten is niet bekend23.

EXPERIMENTEN VOOR REGULERING VAN DE ACHTERDEUR ZIJN NOODZAKELIJK.
De cannabis die in coffeeshops te koop is, wordt grotendeels in Nederland geproduceerd.
Kwaliteitscontrole bij de hennepteelt behoort hierdoor niet alleen tot de mogelijkheden, maar is vanuit het oogpunt van de volksgezondheid noodzakelijk.
De roep om experimenten voor regulering van de achterdeur wordt steeds luider.

17 CAM, 2003.
18 King e.a., 2005.
19 Korf et al, 2004.
20 Mensinga e.a., 2006.
21 Dit concludeert de minister van VWS in 2006 in een brief aan de Tweede kamer n.a.v. het RIVM-onderzoek.
22 Traag e.a., 2001.
23 Sennema in: Highlife, 2006, jrg.15, nr. 2, p.19 -23.

PAGINA 5
Het is de hoogste tijd voor zulke
experimenten, eens te meer omdat hiermee een deel van de overlast en illegale teelt in achterstandswijken kan worden weggenomen.
Zo stelt het “Manifest van Maastricht” van december 200524, ook wel het plan Leers genoemd, voor om middels een of meerdere experimentlocaties te gaan beginnen met het opzetten van gecontroleerde hennepteelt.

De Centrale Raad stelt dat de werkzaamheden aan de niet gedoogde achterdeur van de coffeeshop onlosmakelijk verbonden zijn met de gedoogde voordeur.
Immers, als productie in het geheel niet (oogluikend) wordt toegestaan, is het toestaan van de verkoop illusoir25.
Hoe kun je als overheid nu toestemming geven iets te verkopen dat niet mag worden geproduceerd? Deze tegenstrijdigheid kan worden opgeheven door de achterdeur verder te reguleren.

ECONOMISCHE EFFECTEN VAN COFFEESHOPS VOOR NEDERLAND.
De Nederlandse coffeeshops hebben een positief effect op de economie.
Zij verschaffen duizenden volledige banen voor laag opgeleide mensen, zorgen voor een stevige impuls op de regionale economie en brengen tezamen landelijk tientallen miljoenen aan belastinggelden op.
Cijfers van de Universiteit Maastricht uit 200026 spreken alleen al in de regio Maastricht van een totaal gegenereerde omzet van € 26.000.000,- en een werkgelegenheid van 326 fte.
Ook aan deze materie behoort bij een evaluatie van het gedoogbeleid aandacht te worden besteed.

OVERDREVEN BERICHTGEVING BRENGT CANNABIS EN COFFEESHOPS IN DISKREDIET.
De beeldvorming over coffeeshops en cannabis is voor een belangrijk deel gebaseerd op berichtgeving in de media. Vanwege de onduidelijke status – voortkomend uit de gedoogsituatie – leent dit thema zich uitermate goed voor allerlei misvattingen en (vaak ongenuanceerde) sensatieverhalen.
Dit effect is bijvoorbeeld waarneembaar bij de presentatie van nieuwe onderzoeksresultaten.
Deze worden vaak volledig uit de context gehaald, waardoor er onnodig veel onrust wordt veroorzaakt.
Denk bijvoorbeeld aan de berichtgeving rondom beschimmelde wiet27, THC percentages of de relatie met psychiatrische ziektebeelden. Misverstanden hierover blijken bij de cannabisbranche, de cannabisconsumenten en bij de gewone burger een hoop onrust te veroorzaken.

24 Leers e.a., 2005.
25 Zie LJN: AQ6684, nummer uitspraak 02/2796 ALGEM, 5 augustus 2004: “De Raad acht voorts genoegzaam vaststaan dat de voor appellant werkzame personen, behalve met de verkoop van softdrugs, ook belast zijn met activiteiten die niet worden gedoogd. Deze activiteiten zijn echter onlosmakelijk verbonden aan de – gedoogde – verkoop van softdrugs in een coffeeshop en worden ook onmiskenbaar verricht ten behoeve van die verkoop. De Raad is in dit kader ook niet anders gebleken dan dat de wel gedoogde verkoop een beduidende omvang heeft in relatie tot de niet gedoogde activiteiten. In aanvulling op de hiervoor weergegeven jurisprudentie is de Raad dan ook van oordeel dat, gegeven de hiervoor weergegeven omstandigheden, niet gesproken kan worden van nietige arbeidsovereenkomsten.”
22 Oude Wansink, 2001.
27 Leids onderzoek (Hazekamp e.a., 2005) zou aangetoond hebben dat nederwiet uit de coffeeshops in vergelijking met de wiet die speciaal voor medicinaal gebruik is gekweekt, schimmels bevat die schadelijk kunnen zijn voor bepaalde (terminale) patiënten. Patiënten die medicinale wiet gebruiken zouden daarom beter hun wiet via de apotheek kunnen betrekken.

PAGINA 6
DE OPSTELLERS VAN DIT MANIFEST “30 JAAR GEDOGEN” STELLEN DAT:

1. het gebruik van cannabis (legaal dan wel illegaal) als roesmiddel, na alcohol en tabak het meest gebruikt, een niet meer weg te denken verschijnsel is in de Nederlandse (Europese) samenleving.

2. het aantal cannabisconsumenten in Nederland sinds 1976 in vergelijking met andere omringende landen niet onevenredig is toegenomen. Dit, ondanks de relatief eenvoudige verkrijgbaarheid van cannabis via coffeeshops.

3. in iedere Nederlandse gemeente consumenten cannabis gebruiken, terwijl in bijna 80% van deze gemeenten nog steeds geen gedoogde coffeeshop is gevestigd.

4. coffeeshops een positieve bijdrage leveren aan het uitgaansleven en de toeristenindustrie. Bovendien leveren de coffeeshops een belangrijke bijdrage tot de integratie van minderheden doordat ze behoren tot de weinige gelegenheden waar consumenten van verschillende afkomst bij elkaar komen zonder dat dit problemen oplevert.

5. er tot op heden geen evaluatie heeft plaatsgevonden naar de effecten van de verkoop en het gedoogbeleid van cannabis via coffeeshops.

6. er nimmer onderzoek is gedaan naar de effecten en de wenselijkheid van de huidige gedoogregels op de bedrijfsvoering van coffeeshops in het kader van de volksgezondheid en de openbare orde.

7. het van belang is om de hele keten (dus van achterdeur tot voordeur) te reguleren en te controleren zoals dit ook ooit voor alcoholproductie en verkoop is ingesteld (zie drank- en horecawet).

8. de huidige discussies over gedoogbeleid en regulering van de achterdeur telkens verzanden in een aantal onbewezen wetenschappelijke stokpaardjes zoals: gevolgen van een hoger THC gehalte, relatie tot psychiatrische ziektebeelden, relatie tot georganiseerde criminaliteit en ligging van coffeeshops in de buurt van scholen.

9. ondernemers in de cannabisbranche door bestuurders bij het zoeken naar oplossingen voor de achterdeurproblematiek niet of nauwelijks als serieuze gesprekspartners worden gezien.

10. daling van het aantal gedoogde coffeeshops leidt tot een toename van illegale verkooppunten. Hierdoor komt de oorspronkelijke doelstelling van het gedoogbeleid ernstig onder druk te staan.

11. aanscherping van het coffeeshopbeleid en de handhaving vaker meer problemen veroorzaakt dan oplost.

12. stijging van illegale verkooppunten van drugs leidt tot overlast en grotere risico’s voor de volksgezondheid.

13. criminalisering van productie en (groot)handel van in Nederland geproduceerde cannabis ongewenste gevolgen heeft voor de kwaliteit van deze cannabisproducten en daarmee dus ook voor de volksgezondheid.
Daarom roepen de opstellers van dit manifest de Politiek op om de gevolgen van 30 jaar gedogen breed te evalueren. Dit betekent dat niet alleen politieke en juridische gevolgen dienen te worden meegenomen in deze evaluatie, maar dat er ook aandacht is voor gezondheid, welzijn en voor ethische, sociaal-economische en praktische gevolgen.

PAGINA 7
Bijlage: AFBAKENING EVALUATIE

In bijgaand manifest doen wij een oproep om de gevolgen van 30 jaar gedogen breed te evalueren.
Daarbij hebben wij aangegeven dat niet alleen politieke en juridische gevolgen dienen te worden meegenomen in zo’n evaluatie, maar dat er ook aandacht is voor gezondheid, welzijn en voor ethische, sociaal-economische en praktische gevolgen.

In het verleden is gebleken dat er vaak onduidelijkheid bestaat over de wijze waarop een evaluatie gestalte zou moeten krijgen.
Zo ontbreekt het regelmatig aan een eenduidig beeld over welke periode een evaluatie uitspraken doet, wie er in aanmerking komen voor de uitvoering van een evaluatie en welke bronnen er gebruikt gaan worden.
Wij vinden het daarom van belang om van tevoren duidelijkheid te scheppen over de conceptuele structuur van de evaluatie van ´30 jaar gedogen´.

In deze bijlage doen we daartoe een aantal suggesties:

1. Verdere stappen voor regulering worden altijd van de hand gedaan, omdat dit niet mogelijk zou zijn vanwege de internationale verdragen die Nederland heeft ondertekend. Deze verdragen zijn echter gebaseerd op achterhaalde wetenschappelijke kennis. Nederland zou daarom in Europees en internationaal verband meer moeten aandringen op een evaluatie van die verdragen die gebaseerd is op actuele wetenschappelijke kennis.

Martin Jelsma verwoordt dit heel mooi in zijn artikel “Achterdeur open U”: Meer ruimte voor ons cannabisbeleid”, dat te vinden is op de website van Transnational Institute (www.tni.org/archives/jelsma/achterdeur.htm): “Het kan niet zo zijn dat als de Kamer tot een weloverwogen oordeel komt dat om redenen van volksgezondheid en openbare orde een regulering van de achterdeur de beste opties biedt, dat dit niet in gang gezet kan worden vanwege verroeste artikelen uit verdragen van een halve eeuw geleden toen hier in Europa nog vrijwel niemand van cannabis gehoord had en THC zelfs nog niet ontdekt was.”

2. Tijdens de hoorzitting achterdeur problematiek van de vaste kamercommissie van justitie op 9 februari 2006 heeft mr. Raimond Dufour, voorzitter van de Stichting Drugsbeleid, uiteengezet dat binnen de internationale drugsverdragen een regulering van de achterdeur wel degelijk mogelijk is op grond van de artikelen 22 en 28 van het E.V. of door uitbreiding van het opportuniteitsbeginsel.
Bij deze hearing werd deze opvatting door een van de van regeringszijde aangevoerde deskundigen bestreden, maar de andere deskundige van regeringszijde erkende dat Dufour hier een sterk argument had.
Zijn conclusie was dat het daarom een politieke en niet een juridische kwestie was.

3. Er moet aanzienlijk meer ruimte komen voor experimenten met regulering en met harm reduction projecten.
Dit is onontbeerlijk om inzicht te verkrijgen of wijziging van de drugsverdragen überhaupt zinvol is. Bovendien zijn er geen reële sancties te verwachten of regulering nu wel of niet mag volgens de verdragen (zie ook: www.drugsbeleid.nl).

4. Om de huidige impasse te doorbreken kan Nederland de WHO procedure in werking zetten voor een herziening van de classificatie van cannabis in Lijsten I en IV in het Enkelvoudig Verdrag uit 1961. Het verzoek van één lidstaat is voldoende, maar sommige Europese landen zijn te overtuigen om steun te verlenen. Een WHO aanbeveling om cannabis van Lijsten I en IV af te halen zou een belangrijke eerste stap zijn. Het is een mogelijke stap voor de korte termijn die niet gecompliceerd is.

5. De Tweede kamer kan de Gezondheidsraad verzoeken om een uitspraak te doen over de vraag of het belang van de volksgezondheid Nederland niet noopt desnoods, een overigens discutabele, inbreuk te maken op de internationale verdragen.(De Tweede Kamer heeft voor zo’n verzoek om advies van de Gezondheidsraad geen toestemming van het kabinet nodig).

6. Gelet op de diverse gebieden en werkterreinen waarop het gedogen van cannabis van invloed is, de politieke druk (in binnen/ en buitenland) en de vele misvattingen die rondom dit thema spelen, dienen bij de uitvoering en begeleiding van de evaluatie onafhankelijke deskundigen van diverse disciplines betrokken te worden.

Daarnaast zijn wij uiteraard altijd bereid verder om met u van gedachten te wisselen over de wijze waarop de evaluatie in onze ogen plaats dient te vinden.

Bronnen

Amsterdam van JGC, A Oppperhuizen, W van de Brink (2004). Cannabis als risicofactor van schizofrenie. Tijdschrift voor psychiatrie, 46 (2004), nr. 8, p. 515-524.

Bieleman B, H Naayer (2006). Coffeeshops in Nederland 2005. Aantallen coffeeshops en gemeentelijk beleid 1999-2005. Groningen: Intraval.

Brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aan de Tweede Kamer met een reactie op de cannabisbrief (27 april 2004). Den Haag: VNG.

CAM (2003). Informatierapport cannabis. Den Haag: Coördinatiepunt Assesment en Monitoring Nieuwe Drugs.

Dienst Onderzoek en Statistiek Amsterdam (2003). Factsheet nr. 5.

Graveland, Hol (2004). Literatuurstudie Trimbosinstituut 2004: “Kan cannabis biologisch gezien tot schizofrenie leiden”. Utrecht: Universiteit Utrecht, faculteit Biologie.

Hazekamp A, P Sijrier, R Verpoorte (2005). Medicinale cannabis uit de apotheek is redelijk. Leiden: Universiteit Leiden, afdeling Farmacognosie.

Henquet C, J van Os (2004). De nederwaan in rook opgegaan. Commentaar op ‘Cannabis als risicofactor van schizofrenie’. Tijdschrift voor psychiatrie, 46 (2004), nr. 8, p. 553-555.

Jansen, A.C.M. (2002). De economie van de cannabissector. In: ESB, 5 april 2002, p. 276-278.

Jansen, A.C.M. (2002). Het gevecht van professor Bovenkerk tegen cannabis sativa L. In: Highlife, jrg. 11, nr. 6, dec.2002/ jan.2003, p.27-31.

King L, Carpentier C, P Griffiths (2005). Cannabispotency in Europe. Addiction, 100, p 884-886.

Korf DJ, M Wouters, A Benschop, P van Ginkel (2004). Sterke wiet. Een onderzoek naar blowgedrag, schadelijkheid en afhankelijkheid van cannabis. Amsterdam: Rozenberg Publishers.

Leers G, B van der Ham, N Albayrak, F Weekers (2005). Manifest van Maastricht, de achterdeur gereguleerd. Maastricht: 2 december 2005.

Loor, de A (1994). Hashcoffeeshops en hun bezoekers; Beschouwingen over gebruik en handel van hash in Nederland en een onderzoek naar de sociale functies van 115 Amsterdamse hashcoffeeshops. Amsterdam: Adviesbureau drugs.

Maalsté N, C Barendregt (2005). Factsheet Gemeentescan coffeeshops. Rotterdam: IVO.

Maalsté, N (1994). Cannabis in Utrecht (deel 1): Van Koffieshop tot Hennepwinkel. Sociale functies van koffieshops (2e gewijzigde druk). Utrecht: CVO, Universiteit Utrecht.

Mensinga Tj T, I de Vries, M Kruidenier, CC Hunault, IS van den Hengel-Koot,
JW Fijen, MEC Leenders & J Meulenbelt (2006). Dubbel-blind, gerandomiseerd, placebogecontroleerd, 4-weg gekruist onderzoek naar de farmacokinetiek en effecten van cannabis. Bilthoven: RIVM.

Ministerie van VWS (2004).
Interdepartementale brief cannabisbeleid. Den Haag: ministeries van VWS, Justitie en BZK.

Ministerie van VWS (2006). Hoog THC-gehalte in cannabis. Brief aan Tweede Kamer. Den Haag: ministerie van VWS.

Monshouwer K, S van Dorsselaer, A Gorter, J Verdurmen, W Vollebergh (2004). Jeugd en riskant gedrag. Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek 2003. Utrecht: Trimbos-instituut.

NDM (2005). Nationale Drugsmonitor. Jaarbericht 2005. Utrecht: Trimbos-instituut.

Niesink, RJM, FTA Pijlman, S Rigter, J Hoek, H Goldschmidt (2006). THC-concentraties in wiet, nederwiet en hasj in Nederlandse coffeeshops (2005-2006). Utrecht: Trimbos-instituut.

Oude Wansink, M (2001). De economische effecten van coffeeshops voor Maastricht. Maastricht: Wetenschapswinkel Universiteit.

Platform Cannabisondernemingen Nederland (2004). Notitie Wolken uit de coffeeshop. Leeuwarden: PCN.

Platform Cannabisondernemingen Nederland (2003). Notitie ‘ De groene gulden middenweg’ ofwel ‘ Het cannabis ei van Columbus’ – naar een officieel gedoogbeleid van cannabisproductie voor eigen gebruik. Leeuwarden: PCN.

Polak, F (2001). Cannabis in verhouding tot andere drugs. Hoe verhoudt de wettelijke regeling van cannabis zich tot die van de andere verboden roesmiddelen? Publicaties: www.drugsbeleid.nl.

Polak, F (2004). Wat is het verband tussen gebruik van cannabis en chronische psychose (schizofrenie)? Publicaties: www.drugsbeleid.nl.

Sennema, J (2006). Vraagtekens bij behandelde wiet. In : Highlife, jrg.15, nr. 2, april/mei 2006, p.19-23.

Smit, F, L Bolier & P Cuijpers (2003). Cannabisgebruik waarschijnlijk oorzakelijke factor bij het ontstaan van latere schizofrenie. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 147 (44): 2178-2183.

St. Drugsbeleid (1998). Coffeeshop uit de schaduw. Plan voor regulering van de ‘achterdeur’. Haarlem: stichting Drugsbeleid.

Traag WA, H Gercek, D Kloet, HD Wychgel, LS Faassen, RP Kerssenaker (2001). Onderzoek naar residuen van bestrijdingsmiddelen in nederwiet. Wageningen: RIKILT.

Vogelzang A, A Boersma & A van der Poel (2006). Blowen in Tilburg. Cannabisgebruik en -verwerving door minderjarigen en de rol van frequent blowen bij problematisch gedrag. Rotterdam: IVO.

Wolff FA de (2001). Expert-verslag over het rapport THC-concentraties in wiet, nederwiet en hasj in Nederlandse koffieshops (2000-2001). Amsterdam: 20 aug. 2001.

Toespraak Nieuwspoort Manifest 30 jaar gedogen

Toespraak Manifest 30 jaar gedogen

Wat heeft 30 jaar cannabis gedoogbeleid ons tot nu toe gebracht ? Heeft de scheiding tussen drugs met een aanvaarbaar risico voor de volksgezondheid, de zogenoemde softdrugs, en drugs met een onaanvaardbaar risico, de zogenoemde harddrugs zijn vruchten afgeworpen ?
En is de doelstelling van de decriminalisering van cannabisconsumenten geslaagd ?
Gelet op de resultaten van diverse onderzoeken lijkt dit wel het geval te zijn.

Zo weten we inmiddels dat 99% van de cannabisconsumenten geen problematisch gebruik kent en zien we ook dat de aanwezigheid van coffeeshops niet leidt tot een toename van de vraag naar cannabis. We zien dat Nederland een laag aantal harddrugsverslaafden kent, alcohol niet meegeteld, en het aantal doden door harddrugsgebruik ligt in ons land het laagst van alle Europese landen, zo niet wereldwijd.
Coffeeshops zijn in maatschappelijk en fiscaalrechtelijk opzicht reguliere ondernemingen die een grote sociale functie hebben, het is bijvoorbeeld een van de weinige plekken waar waarachtig sprake is van integratie.
Maar ook de economische effecten van coffeeshops voor Nederland zijn niet gering: zij leveren tezamen duizenden banen op voor veelal laag opgeleiden, en zorgen voor een stevige bijdrage aan de staatskas door middel van tientallen miljoenen euro’s aan belastinggelden.

Is er dan reden voor een feestje naar aanleiding van 30 jaar gedogen in Nederland ?
Nou nee, dat nog niet. Er zijn namelijk een aantal ongewenste neveneffecten die zijn ontstaan door het inconsequente cannabisbeleid van de overheid.
Zo zijn er in iedere gemeente cannabisconsumenten, toch heeft maar 22% van de Nederlandse gemeenten een of meerdere coffeeshops .
Hierdoor ontstaat in de overige gemeenten zonder coffeeshops een illegaal netwerk van gemengde drugsverkooppunten waarmee de openbare orde en de volksgezondheid niet gediend worden. Terwijl dit toch belangrijke pijlers onder het gedoogbeleid zijn.

Een coffeeshop mag cannabisproducten verkopen met een maximum van 5 gram per persoon en mag ook maximaal 500 gram cannabis op voorraad hebben, maar het is verboden om deze producten in te kopen. Dit is natuurlijk een onwerkbare situatie voor de coffeeshopondernemer, die conflictsituaties in de hand werkt.

De cannabis die in coffeeshops te koop is, wordt grotendeels in Nederland geproduceerd.
Kwaliteitscontrole bij de wietteelt behoort hierdoor niet alleen tot de mogelijkheden, maar is vanuit het oogpunt van de volksgezondheid noodzakelijk. Denkt u hierbij bijvoorbeeld aan het kunnen stellen van kwaliteitseisen en het geven van productinformatie aan de consument.
De roep om experimenten voor regulering van de achterdeur wordt steeds luider, ook vanuit de zijde van de beleidsmakers. Het is de hoogste tijd voor zulke experimenten, eens te meer omdat hiermee een deel van de overlast en illegale teelt in achterstandswijken kan worden weggenomen.
Minder inzet op handhaving door instanties zal hiervan het gevolg zijn, sterker nog: de staatskas kan worden gespekt met tientallen miljoenen euro’s winstbelasting die kwekers momenteel niet kunnen betalen, zonder dat dit wordt doorgemeld aan justitie. Maar ook het normaal kunnen betalen van de elektriciteitskosten door de kweker, zonder dat dit door de energieleverancier gemeld dient te worden aan justitie, kan hiermee worden gerealiseerd.

Staatskwekerijen zijn als oplossing voor deze problematiek in onze ogen zeker geen optie omdat hiermee extra problemen worden gecreëerd in plaats van opgelost. Denk aan bevordering illegale circuit, logistieke problemen, etc..
De coffeeshopbranche kan op een uitstekende wijze goed gecontroleerde en geschikte kwekers op daarvoor bestemde locaties de eigen producten laten kweken.
Uiteraard volgens het principe dat hetgeen er aan de voordeur wordt verkocht, ook aan de achterdeur moet kunnen worden gekweekt.
Het Landelijk Overleg Coffeeshops (LOC), een overlegorgaan tussen de Nederlandse regionale coffeeshopbonden die dit manifest breed ondersteunen, ziet deze vorm van regulering ook als de meest reële oplossing voor de achterdeurproblematiek.

Het zijn deze argumenten die de opstellers van dit stuk er toe hebben gebracht om de tweede kamerleden Albayrak, Van Der Ham en Weekers uit te nodigen om het manifest in ontvangst te nemen. Niet vanwege hun politieke kleur, die is vandaag net zo belangrijk als de kleur van hun ogen, maar vanwege hun persoonlijke inzet om op korte termijn te kunnen komen tot een realistisch en werkbaar cannabisbeleid.
Deze kamerleden hebben reeds meerdere malen aangedrongen bij de Minister van Justitie op een mogelijkheid om ons gedoogbeleid te vervolmaken. Helaas tot nu toe zonder succes.

De belangrijkste ministers voor het huidige drugsbeleid, Dries van Agt (CDA, Justitie) en Irene Vorrink (PvdA, Volksgezondheid) waren beiden hartstochtelijk voorstander van decriminalisering van de cannabisconsument.
In 1976, onder het kabinet Den Uyl, werd de Opiumwet gewijzigd, met als voornaamste verandering een scheiding tussen softdrugs en harddrugs.
Legalisering, zoals Van Agt eigenlijk had gewild, bleek onmogelijk, gelet op de
relevante verdragen. “Dan maar in arren moede gedogen”, zei hij. “Al raspt
dat een ware minister van Justitie over de ziel.”
Nederland maakt gebruik van het opportuniteitsbeginsel, dat bepaalt dat justitie mag afzien van vervolging als dat in het algemeen belang is.
Een regulering van de kweek, ten behoeve van de achterdeur van coffeeshops, mogen we in het kader van datzelfde algemeen belang van onze toekomstige minister van Justitie hopelijk wél verwachten.

Martin Jelsma van het Transnational Institute heeft dit mooi verwoordt in zijn artikel: “Achterdeur open u”. Ik citeer: “Het kan niet zo zijn dat als de Kamer tot een weloverwogen oordeel komt dat om redenen van volksgezondheid en openbare orde een regulering van de achterdeur de beste opties biedt, dat dit niet in gang gezet kan worden vanwege verroeste artikelen uit verdragen van een halve eeuw geleden toen hier in Europa nog vrijwel niemand van cannabis gehoord had en THC zelfs nog niet ontdekt was.”

Wij vragen een goed gereguleerd transparant systeem voor cannabisverstrekking, waarbij het van belang is om de hele keten – dus van achterdeur tot voordeur – te reguleren en te controleren, zoals dit ook ooit voor alcoholproductie en verkoop is ingesteld. Denk hierbij aan de drank- en horecawet.
Alleen dan kunnen we ook hopen dat het buitenland ons beleid begrijpt en misschien over neemt, zodat we gezamenlijk komen tot een realistisch Europees cannabisbeleid.
Naar schatting dertig miljoen Europese cannabisconsumenten wachten hier al lange tijd op, niet alleen omdat cannabis na alcohol en tabak het meest gebruikte genotmiddel is, maar omdat deze consumenten ervaren dat het ook de minst schadelijke van deze drie is.

Premier Balkenende zei laatst dat de VOC mentaliteit zou moeten herleven.
Welnu, de VOC dreef voor een groot deel op de lucratieve handel in harddrugs, te weten opium, die door Nederlandse staatsbedrijven zelfs via de postkantoren werd gedistribueerd.
Zover willen de opstellers van dit manifest niet gaan, maar laten we hopen dat onze premier zich inderdaad volgens diezelfde mentaliteit gaat inzetten voor verregaande regulering van de cannabisteelt. Toch ?!

Nu zien we dat steeds vaker het belang van de volksgezondheid overschaduwd wordt door het justitieel belang, hetgeen niet de bedoeling is van de Opiumwetgever.
De teelt van wiet wordt hard aangepakt. Dit heeft geleid tot een forse daling van het aantal bonafide kwekers. We zien dat hierdoor de vraag naar nederwiet groter is dan het aanbod.
Koren op de molen voor criminele organisaties die nu hun kans schoon zien om een marktpositie in te nemen in de steeds lucratievere wietteelt, met dank aan het repressieve beleid van de overheid.

Dit heeft niet alleen geleid tot forse prijsstijgingen, maar ook tot het bewerken van nederwiet! Steeds vaker bewerken winstbeluste handelaren wiet met onbekende producten teneinde het gewicht van de wiet te verhogen. Het effect op de gezondheid van de consument bij het gebruik van deze vaak moeilijk op te sporen gewichtsverhogende producten is niet bekend.
De Tweede kamer kan de Gezondheidsraad verzoeken om een uitspraak te doen over de vraag of het belang van de volksgezondheid in Nederland niet noopt desnoods, een overigens discutabele, inbreuk te maken op de internationale verdragen.

Daarom roepen de opstellers van dit manifest de Politiek op om de gevolgen van 30 jaar gedogen breed te evalueren. Dit betekent dat niet alleen politieke en juridische gevolgen dienen te worden meegenomen in deze evaluatie, maar dat er ook aandacht is voor gezondheid, welzijn en voor ethische, sociaal-economische en praktische gevolgen.
Gelet op de diverse gebieden en werkterreinen waarop het gedogen van cannabis van invloed is, de politieke druk in binnen- en buitenland, en de vele misvattingen die rondom dit thema spelen dient een samenwerkingsverband van diverse onafhankelijke organisaties of instituten de evaluatie van 30 jaar gedogen uit te voeren.
De uitvoering van deze evaluatie dient bovendien begeleid te worden door een begeleidingscommissie waarin onafhankelijke deskundigen van diverse disciplines plaatsnemen.

Met deze evaluatie zullen we kunnen bekijken of het Nederlandse gedoogbeleid inderdaad zo succesvol is als dat het lijkt te zijn, en maken we de weg vrij voor de volgende logische stap om dit gedoogbeleid te perfectioneren, en tegelijkertijd de ongewenste neveneffecten tot een minimum te beperken.

De opstellers willen graag de Stichting Drugsbeleid bedanken vanwege haar actieve rol betreffende het meedenken over de inhoud van dit stuk.
Het manifest 30 jaar gedogen wordt aangeboden aan de Tweede Kamerleden Nebahat Albayrak, Boris Van Der Ham en Frans Weekers opdat zij zich met rechte rug verder kunnen inzetten voor deze belangrijke zaak !!

Marc Josemans, namens de mede opstellers Maalsté, Bruin en Motta.

Brief Hoogervorst betreffende THC gehalte

Hoog THC-gehalte in cannabis

Kamerstuk, 22-5-2006
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
VGP/ADT 2674747

Hierbij doe ik u het RIVM-rapport over het onderzoek naar de gezondheidseffecten van cannabis met een hoog THC-gehalte toekomen.
In de interdepartementale beleidsbrief cannabis (TK vergaderingen 2003-2004, 24077, nr 125) van 23 april 2004, heb ik u geïnformeerd over mijn Actieplan Ontmoediging Cannabis. In deze beleidsbrief werd gesteld dat “indien uit onderzoek zou blijken dat gebruik van cannabis met een hoog THC-gehalte tot ernstige gezondheidsrisico’s leidt, het kabinet zich zou bezinnen op de consequenties voor het bestuurlijk en strafrechtelijk beleid. In het uiterste geval zou, indien de risico’s vergelijkbaar zijn met die van harddrugs, plaatsing van cannabissoorten met een zeer hoog THC-gehalte op Lijst I van de Opiumwet het gevolg kunnen zijn”.
Tot nu toe was er alleen onderzoek bekend naar de effecten van lage THC-gehaltes (ca 5%) in cannabis. Over de veel sterkere nederwiet, die de laatste jaren populair is bij Nederlandse cannabisgebruikers, ontbrak informatie over het verloop van de dosis-effect relatie. Dit aspect moet echter eerst onderzocht worden om uitspraken te kunnen doen over eventuele gezondheidsrisico’s. Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum van het RIVM heb ik opdracht gegeven deze vraag te onderzoeken. Ik zal de studie eerst kort samenvatten en vervolgens ingaan op de consequenties die ik uit de resultaten trek.
Opzet van het onderzoek
In deze studie stonden de volgende vragen centraal.
1. Leidt een hoger THC-gehalte in cannabis (de uitwendige dosis) ook tot een hogere concentratie van THC in het bloed (de inwendige blootstelling)? Dit is een belangrijke voorwaarde voor de verdere risico-evaluatie van gebruik van cannabis met hogere THC-gehaltes.
2. Leidt een hogere inwendige dosis vervolgens ook tot een toename van (nadelige) effecten? Hierbij gaat het om de aard en ernst van lichamelijke effecten (zoals een versnelde hartslag, en een verlaagde bloeddruk) en/of van psychosociale effecten (zoals aandacht- en concentratiestoornissen).
Het onderzoek is uitgevoerd bij 24 mannen, die elk in een laboratoriumsetting marihuana te roken kregen met een THC concentratie van 0% (placebo), 9,75%, 16,38% en 23,12%.
Deze laatste drie concentraties zijn vergelijkbaar met die van nederwiet die in coffeeshops te koop is.
Onderzoeksresultaten
Uit de metingen blijkt, dat er bij het roken van cannabis inderdaad sprake is van een dosisgerelateerde toename van lichamelijke effecten. Het gaat in het bijzonder om verhoging van de hartslag, verlaging van de bloeddruk, en het optreden van slaperigheid. De bloeddruk nam gemiddeld toe tot ca. 130 slagen per minuut, in enkele gevallen tot boven de 170 slagen/min. Gezonde individuen kunnen een versnelling van de hartslag tot ca. 200 slagen per minuut goed verdragen. Voor personen met hartklachten, zoals hartritmestoornissen, kan een aanzienlijke versnelling van de hartslag risicovol zijn.
Op groepsniveau vonden nagenoeg geen effecten op de bloeddruk plaats, wel op een enkel individueel niveau. Het optreden van een forse bloeddrukverlaging kan er toe leiden dat de gebruiker buiten bewustzijn raakt of ten val komt. Door de persoon in een achteroverliggende positie te leggen, kan de bloeddruk zich snel herstellen.
Naarmate sterkere cannabis gebruikt wordt, worden ook de hersenfuncties sterker beïnvloed. Men reageert trager, de concentratie vermindert, men maakt meer fouten en heeft minder controle over de spierfuncties. Door herhaald gebruik meermaals per dag kan stapeling van effecten optreden.
Afhankelijk van de situatie waarin deze verschijnselen optreden, bijvoorbeeld tijdens deelname aan het verkeer, kan zich ernstiger letsel voordoen.
Het onderzoek geeft alleen inzicht in de acute effecten die kunnen optreden bij het gebruik van marihuana met diverse THC-concentraties. Over de consequenties van het gebruik van cannabis met hogere THC-gehaltes op de langere termijn, bijvoorbeeld of mensen eerder of ernstiger verslaafd raken, of vaker klachten krijgen van psychische aard, kunnen op basis van dit onderzoek geen uitspraken worden gedaan.
Van belang is te vermelden, dat de opzet van het onderzoek in een aantal opzichten verschilt van een naturalistische situatie. Zo dienden de proefpersonen elke dosis, hoog of laag, in een zelfde korte tijdspanne te consumeren om de effecten daarvan verantwoord te kunnen vergelijken. In de praktijk nemen gebruikers doorgaans meer tijd voor het roken van een joint, en verlengen die tijd naarmate zij een sterkere joint roken. In dat geval bereiken de effecten minder extreme waarden. Alle proefpersonen verklaarden dat zij normaal gesproken eerder gestopt zouden zijn met roken en de gehele joint niet in een keer opgerookt zouden hebben.
Consequenties van de onderzoeksresultaten
Ook bij veel hogere THC-concentraties dan tot voor kort is onderzocht, blijkt sprake van een dosis-effect relatie met betrekking tot de lichamelijke en psycho-motore effecten. Dat betekent, dat wat al bekend was over de effecten van blowen in verhevigde mate geldt voor de sterke nederwiet die bij Nederlandse cannabisgebruikers populair is.
Deze aspecten zal ik bij de voorlichting- en preventieactiviteiten aan (potentiële) gebruikers die in mijn opdracht plaatsvinden, scherper in beeld laten brengen. Doordat de sterkte van in coffeeshops aangeboden cannabis sterk kan variëren, moeten gebruikers voorzichtig zijn met doseren. Bij het project “Voorlichting in de Coffeeshop”, dat voor de zomer zal starten, en de nieuwe massamediale cannabiscampagne, die in november van dit jaar is gepland zal aandacht worden besteed aan de sterkte van cannabis. Beide projecten worden uitgevoerd door het Trimbos-instituut.
De effecten op de gezondheid die uit dit RIVM-onderzoek naar voren komen acht ik vooralsnog niet dermate ernstig dat ze tot een ander wettelijk regime voor cannabis nopen, vergelijkbaar met dat voor harddrugs.
Ook informatie uit andere bronnen geeft daar weinig aanleiding toe. Ik verwijs daarbij naar het jaarbericht 2005 van de Nationale Drug Monitor, dat u onlangs is toegezonden, waarin de laatste stand van zaken over het gebruik van cannabis en daarmee samenhangende problemen cijfermatig is weergegeven. Acute gezondheidsproblemen die aanleiding vormen voor een behandeling bij de spoedeisende hulp van een ziekenhuis of een klinische opname stijgen weliswaar licht, maar komen relatief – bijvoorbeeld in vergelijking met alcoholgebruik- weinig voor. Sterfgevallen als direct gevolg van cannabisgebruik hebben zich de afgelopen twintig jaar in Nederland in het geheel niet voorgedaan.
Een duidelijk stijgende trend is wel waarneembaar bij het aantal hulpvragers in de ambulante verslavingszorg: het aantal cannabiscliënten is daar in de laatste vijf jaar fors toegenomen.
Of en in welke mate het op de markt zijn van cannabis met een hoger THC-gehalte hieraan heeft bijgedragen, is moeilijk vast te stellen. Ook andere factoren kunnen een rol spelen, zoals meer aandacht voor cannabisproblemen via media en voorlichtingscampagnes, en verbetering van het hulpaanbod door de verslavingszorg.
De ontwikkeling in het THC-gehalte blijft daarom mijn aandacht houden. De monitor van het Trimbos-instituut zal ik de komende jaren continueren en de trends in THC in nederwiet nauwlettend blijven volgen. Overigens bleek bij de laatste metingen in 2004/2005 en 2005/2006 het gemiddelde THC-gehalte in nederwiet respectievelijk 17,7% en 17,5%, iets lager maar niet significant verschillend van het in 2003 gemeten gemiddelde van 20%.
In het nieuwe onderzoeksprogramma “Risicogedrag en Afhankelijkheid” waartoe ik ZonMw opdracht heb gegeven en dat binnenkort van start gaat, zal cannabis één van de speerpunten zijn. Ik verwacht dat daarbinnen ook nadrukkelijk aandacht wordt besteed aan de gevolgen van de ontwikkelingen in THC-gehalte op de langere termijn.
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
H. Hoogervorst

Reactie VOCM op versnellingsnota coffeeshops

VERENIGING OFFICIËLE COFFEESHOPS MAASTRICHT

Maastricht 03-03-2005

Geachte Voorzitter, Geachte leden van de Commissie,

Namens de V.O.C.M. wil ik reageren op de Collegenota “Versnelling van het coffeeshopbeleid”, welke tot doel heeft een discussie te entameren. (Zie pagina 3 onderaan.)
De V.O.C.M. meent dat de inhoud van de nota ruim voldoende aanleiding geeft tot het voeren van een discussie.
Allereerst is de V.O.C.M. blij dat in de nota een aantal van onze voorstellen geheel of gedeeltelijk terug te vinden zijn. Hieruit blijkt dat we als gesprekspartner eindelijk serieus worden genomen.

1. Gewenst beleid en mogelijke opties

Met instemming reageert de V.O.C.M. op de toekomstverwachting en toekomstvisie zoals deze op pagina 4 is verwoord. Na alcohol en tabak is cannabis het meest ingeburgerde genotmiddel in Europa. Dit gegeven heeft ertoe geleid dat in steeds meer Europese landen niet meer met strafrechtelijke middelen wordt opgetreden tegen het gebruik van cannabis. De mogelijkheid tot aankoop van cannabisproducten in de ons omringende landen is daarentegen nog steeds moeilijk, maar wel aan het liberaliseren.
Gelet op het voorgaande is het des te vreemder dat in Maastricht nog steeds wordt overwogen om ons aan dat buitenlandse beleid aan te passen, te meer daar men in de nota stelt dat de buitenlandse ontwikkelingen niet meer te stoppen zijn.
Indien de in de nota gepresenteerde logische redenering op nationaal niveau zou worden overgedragen bestaat geen enkele valide reden om over te gaan tot het invoeren van een verbod van cannabis verkoop aan niet ingezetenen. Met de nog niet gedefinieerde term “ingezetenen” wordt vergeefs geprobeerd te verhullen dat het hier gaat om “buitenlanders”. (Zie bladzijde 7 helemaal bovenaan.) Al in 1994 heeft de bestuursrechter in Almelo geoordeeld dat een verbod van de verkoop van cannabis aan buitenlanders in strijd is met het recht, omdat ook een overheid niet mag discrimineren.

Het verlenen van medewerking aan het “project Donner” is een heilloze weg. Burgemeester Leers heeft bij diverse gelegenheden getracht een juridische onderbouwing van de minister te verkrijgen. Ook heeft hij garanties voor de gemeente Maastricht gevraagd, omdat bij handelen
“tegen ieder beten weten in” gigantische schadeclaims in het verschiet liggen. Wat heeft hij concreet van minister Donner gekregen? Niets meer dan loze beloften.
Overigens verbaast het ons dat de burgemeester zich zorgen maakt over schadeclaims, maar niet praat over de te verwachten spectaculaire toename van de illegale verkooppunten en de daarmee gepaard gaande overlast voor de burgers.

Wij hechten eraan te benadrukken dat de leden van de V.O.C.M. slechts bereid zijn een onder ad 6 op pagina 7 beschreven tijdrovend en kostbaar systeem te implementeren indien uitdrukkelijk afstand wordt genomen van het “project Donner”. Op geen enkele wijze mag de indruk ontstaan dat de Maastrichtse coffeeshophouders vrijwillig medewerking zullen verlenen aan een systeem waarmee de verkoop van cannabis aan niet ingezetenen c.q. buitenlanders aan banden kan worden gelegd. Dit standpunt dwingt tot een uitdrukkelijke en principiële keuze. Wil de gemeente Maastricht beleidsmatig een koers varen die op haar eigen visie is gebaseerd of op die van minister Donner?
2. Verplaatsingen, fusies en nieuwe vergunningen

Betreffende verplaatsing ad 1 op pagina 5 kan de V.O.C.M. u verzekeren dat geen enkele exploitant een verplaatsing richting grens zal overwegen als de dreiging van de pilot Donner niet van de tafel is. Geen enkele ondernemer zal willen investeren als niet zeker is dat zijn/haar investering zó maar teniet kan worden gedaan.

Over ad 7 op pagina 7 kunnen wij kort zijn. Om aanvullende eisen te stellen is geen nieuwe vergunning vereist. Als de burgemeester dwingendrechtelijk zaken wil regelen, die de meeste leden overigens in de praktijk al op vrijwillige basis hebben geregeld, kan hij dat op ieder gewenst moment doen. Juridisch heeft hij daartoe ruim voldoende middelen.

De V.O.C.M. heeft de mogelijkheid van fusie geopperd, zodat de burgemeester een mogelijkheid heeft om het aantal coffeeshops versneld te doen verminderen. Geen van de leden zal zijn medewerking aan een fusie verlenen als de nieuw te verlenen vergunning niet van meet af aan ten name van beide gefuseerde vergunninghouders kan worden gesteld. Ook dient te worden stilgestaan bij de bedrijfsvloeroppervlakte van de na fusie nieuw te vestigen coffeeshop.
Per saldo moeten de nieuwe vergunningenhouders er niet op achteruit hoeven te gaan. Zo lang deze eisen niet worden ingewilligd, zal langs de weg van fusie geen vermindering van het aantal coffeeshops worden bereikt.

Indien u een voorstander bent van vermindering van het aantal coffeeshops door middel van fusie moeten de randvoorwaarden zoals voorgesteld door de V.O.C.M. worden toegepast.

3. Overlast

Maastricht is op één na de veiligste stad van Nederland. Het is een schone stad met een uitstekend winkelklimaat. Uit de gevoerde veiligheidsdebatten blijkt dat de burger geen overlast van coffeeshops zelf ervaart. Desondanks moet de V.O.C.M. tot haar ongenoegen opnieuw vaststellen dat de gedoogde coffeeshops in de collegenota worden aangewezen als een bron van grote overlast. Deze stelling kan niet worden onderbouwd.

Drugsoverlast wordt niet veroorzaakt door gedoogde coffeeshops, maar door illegale niet gereguleerde drugshandel. Voor de structurele aanpak van straathandel en illegale verkooppunten wordt onvoldoende tijd en mankracht vrijgemaakt door gemeente en politie.
4. Intensievere controle op softdrugs gebruik op straat.

De nota stelt op pagina 6 ad 4 dat het roken van een joint op straat een voortdurende bron van ergernis en overlast zou zijn. Een samenleving die het roken van een sigaret op straat en het drinken van alcohol op een terras niet overlastgevend vindt kan zich niet op een ander standpunt gaan stellen betreffende het roken van een joint. Het is in het geheel niet aanstootgevend en leidt tot geen enkele overlast. Wel leidt het er toe dat er minder politie ambtenaren zich bezig kunnen houden met opsporing van illegale handel waar volgens de nota de prioriteit zou moeten liggen.
Marc Josemans
Voorzitter V.O.C.M.

Postbus 165, 6200 AD Maastricht, Tel. 06-53519557, Fax 084-7164070, www.vocmonline.nl, KvK z.Limburg 14067028

CAM beantwoording hoger THC gehalte

BIJLAGE CANNABISBRIEF BLDZ. 7

Bij de beantwoording van de vraag of er maatregelen genomen moeten worden om het THCgehalte in cannabis te reguleren, en zo ja, welke, moeten de feitelijke risico’s van sterke cannabis een belangrijke rol spelen.
Om meer zicht te krijgen op mogelijke risico’s werd het
Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) gevraagd middels een spoedprocedure een deskundigenoordeel uit te brengen.
Op basis van de beschikbare gegevens concludeert het CAM dat er in het algemeen niet of nauwelijks extra risico’s zijn verbonden aan het gebruik van cannabis met een ‘hoger’ THCgehalte.

Wel is het zo dat er voor onervaren gebruikers mogelijk een licht verhoogd risico is.
Het CAM stelt dat goede voorlichting vanuit voorlichtende instanties en coffeeshops over deze producten daarom nadrukkelijk gewenst is.

Softdrugsbeleid gemeente Maastricht

Streven naar samenwerking en integrale aanpak

of gedoogbeleid in duigen ?

Discussienota samengesteld door directie & bestuur VOCM december 2002

Voorwoord

Hoe moet het verder met het gedoogbeleid in de gemeente Maastricht? De uitgangspunten van het Nederlandse gedoogbeleid (1976); scheiding van de markten tussen softdrugs en harddrugs en het terugdringen van illegale handel en criminaliteit, lijken weg te vloeien in een zee van onduidelijkheid. Waar bestuurders eerst verantwoordelijk en realistisch leken te handelen, lijkt het nu eerder alsof zij de ogen sluiten voor de realiteit en de risico’s het huidige beleid met zich meebrengt. Pleidooien voor heldere regels en duidelijke handhaving en afspraken tussen belanghebbende partijen bieden soelaas. Er is een situatie ontstaan die vraagt om een hernieuwde discussie. De problematiek van de rechtshandhaving is complex en weerbarstig; zij impliceert echter ook een nauwgezette wisselwerking tussen overheid en burger en de betrokken partijen binnen de gemeente Maastricht. Beleid gericht op samenwerking, het creëren van de juiste randvoorwaarden, regulering en het naleven van heldere afspraken speelt hierin een belangrijke rol, mits de juiste voorwaarden aanwezig zijn.
Maastricht telt momenteel 18 officiële coffeeshops. Hiervan zijn 17 coffeeshophouders verenigd in de Vereniging van Officiële Coffeeshops Maastricht (VOCM). De doelstellingen van de VOCM zijn helder en eenduidig en zijn gericht op samenwerking tussen VOCM, overheid (gemeente), maatschappelijke organisaties op het gebied van volksgezondheid (GGD, CAD) en justitie.
De VOCM is doordrongen van haar maatschappelijke verantwoordelijkheid binnen de gemeente Maastricht. Een verantwoordelijkheid die niet alleen gericht is richting bestuurders maar ook naar de burger. Er is de VOCM veel aan gelegen om na jaren te komen tot een constructieve houding jegens elkaar. Dit wordt onderstreept door een oproep om een nieuwe discussie aan te gaan over een aantal onderwerpen binnen het Maastrichtse gedoogbeleid. De VOCM heeft een uitgesproken visie als het gaat om softdrugs en softdrugsbeleid en wijst associaties met harddrugs stellig van de hand. Aanvankelijk heeft de VOCM getracht om vanuit een integrale aanpak, in samenwerking met het CAD Limburg, GGD Zuidelijk Zuid-Limburg en Stichting Trajekt, te komen tot een gezamenlijke discussienota. Laatstgenoemde instanties hebben echter gekozen voor een onafhankelijke opstelling maar hebben expliciet verklaard bereidwillig te zijn om op verzoek van de gemeente, en op korte termijn, hun visie weer te geven.

Doelstellingen VOCM

• Het namens de officiële Coffeeshophouders (vergunninghouders) behartigen van belangen binnen het raam en de reikwijdte van de zgn. AHOJG richtlijnen
• Het voeren en nastreven van overleg met overheidsinstanties (Gemeente), diverse maatschappelijke organisaties op het gebied van volksgezondheid, zorg en Justitie (CAD, GGD, Politie), wijkraden, buurtraden, ouderorganisaties etc.
• Het geven van voorlichting aan belangstellenden en belanghebbenden m.b.t. sofdrugsgebruik en softdrugsbeleid (politieke partijen, Ouders)
• Het inzichtelijk maken het softdrugsbeleid op lokaal alsmede landelijk niveau
• Het nastreven en naleven van afspraken gericht op het beperken en terugdringen van overlast.
• Het nastreven van een pro-actieve houding ten aanzien van lokaal beleid.
• Het leveren van inspanningen die een positieve bijdrage leveren aan het veiligheidsgevoel binnen de woonomgeving.

De VOCM stelt dat alle leden zich dienen te houden aan de gestelde AHOJG-criteria. Voor de exploitatie van een gedoogde coffeeshop gelden deze zogenoemde criteria, welke inhouden:
A geen affichering: betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit;
H geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht worden;
O geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshops, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten;
J geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang aan jeugdigen tot een coffeeshop: gelet op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar;
G geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan 5 gram.
Wanneer een gedoogde coffeeshop zich houdt aan de door de lokale driehoek vastgestelde beleidsregels wordt door het OM niet opgetreden.
De VOCM neemt deel aan structureel overleg en zet eigen middelen in om aan de AHOJG richtlijnen invulling te geven:
• Het voeren van regelmatig overleg met maatschappelijk organisaties en overheid. Hoewel er in Maastricht formeel nog geen convenant is opgesteld en getekend, bestaat dit in principe wel. Immers de VOCM, GGD, CAD, gemeente en politie hebben regelmatig overleg over het te voeren beleid en de daarbij behorende preventie.
• Het voeren van regelmatig overleg met wijk- en buurtraden. (Scharnerweg en Grote Gracht/Brusselsestraat)
• Het opstellen, drukken en uitgeven van folders in drie talen met informatieve en preventieve teksten voor bezoekers.
• Het opstellen en zoveel mogelijk handhaven van gedragsregels (waarden en normen) voor bezoekers en met name buitenlandse bezoekers. Hierbij wordt worden gewezen op in Nederland geldende waarden en normen.
• Het scheppen van overlastbeperkende randvoorwaarden.
• Objectieve bemiddeling door aanstelling van een woordvoerder (directeur), zelf geen belanghebbende d.w.z. niet werkzaam in de cannabisbranche.
• Het in samenwerking met CAD, GGD en politie organiseren van cursussen voor beheerders en medewerkers van de coffeeshops.
Samenvatting huidige gedoogbeleid Maastricht
Eerst wordt een beschrijving gegeven van de voorgeschiedenis van en de actuele stand van zaken m.b.t. de coffeeshops in Maastricht, het drugstoerisme aldaar en de overlast van de coffeeshops. Vervolgens wordt de zorgkant van het in Maastricht gevoerde gedoogbeleid voor softdrugs belicht. Aan de orde komen de aanvaardbare gezondheidsrisico’s en de preventie van cannabisgebruik, alsmede de behandeling van cannabisverslaving (problemen met overmatig cannabisgebruik).
Voorts worden het huidige coffeeshopbeleid en het juridisch kader hiervoor in kaart gebracht. Dit kader wordt voornamelijk gevormd door regelgeving, zoals o.a. de overlastbepalingen van de APV, de leefmilieuverordening en de Wet Damocles (art. 13b, lid 1, Opiumwet) die de burgemeester bevoegd verklaart tot toepassing van bestuursdwang, indien in voor het publiek toegankelijke lokalen wordt gehandeld in verdovende middelen. Ook wordt bekeken in hoeverre de van toepassing zijnde doelstellingen van het integrale drugsbeleid uit 1993 – te weten het tegengaan van (soft)drugstoerisme en het terugdringen van (soft)drugsoverlast – in Maastricht bereikt zijn. Verder worden enkele bij de uitvoering van het huidige beleid gesignaleerde knelpunten beschreven en worden oplossingen voor deze knelpunten voorgesteld. Het betreft problemen m.b.t. onder meer de overname van coffeeshops, de (on)mogelijkheid om een coffeeshop te verplaatsen, de verklaring omtrent het gedrag en het aantal beheerders van een coffeeshop. Daarna worden twee actuele onderwerpen besproken, te weten het beleid t.a.v. de ‘achterdeur’ en de vestiging van smart–, head– en growshops en worden ter zake enige beleidsvoorstellen gedaan. Tevens wordt een overzicht gegeven van de inspraakreacties op de (concept–)nota en van het standpunt van B en W omtrent deze reacties. Tot slot worden de geformuleerde voorstellen als afzonderlijke beslispunten aan de gemeenteraad voorgelegd.
Het stelsel van het afnemend maximum

Er zijn op basis van een analyse van lokale en regionale situaties verschillende varianten van coffeeshopbeleid te onderscheiden. Hierin zijn twee stelsels te onderscheiden:

a. Nulbeleid; geen coffeeshops
b. Beleid met een maximum aantal coffeeshops

Het zogenaamde nulbeleid of nuloptie is erop gericht dat geen coffeeshops worden toegelaten. Een nulbeleid moet goed gemotiveerd worden aan de hand van een analyse van de lokale situatie. Een belangrijk gevolg van een nulstelsel is dat er illegale verkooppunten ontstaan, met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien. Zoals meer overlast vanuit woningen en van straathandel, mogelijke combinatie met de verkoop van harddrugs, verkoop aan minderjarigen en dergelijke. Een ander risico is de verplaatsing van cannabisverkoop naar aangrenzende gemeenten. Door middel van goede afspraken of een gezamenlijk beleid, kan worden geprobeerd het ontstaan van illegale verkooppunten te voorkomen, te beperken of terug te dringen.
Een maximumstelsel houdt in dat een gemeente een vastgesteld maximum aantal coffeeshops wordt toelaten.Uit jurisprudentie blijkt dat als het beleid goed gemotiveerd is, de concrete overlast als gevolg van de vestiging van een coffeeshop boven het gestelde maximum niet meer hoeft te worden bewezen.Het maximum aantal coffeeshops wordt bepaald aan de hand van de analyse van de lokale situatie.In dit beleid wordt omschreven dat er ruimte is voor het toelaten van een aantal coffeeshops, maar dat een overschrijding van het vastgestelde maximum zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefklimaat in de gemeente.
Omdat een maximum aantal coffeeshops is opgenomen in het beleid kan wildgroei worden voorkomen en kan tegen de vestiging van andere verkooppunten worden opgetreden. Het maximumstelsel geeft tevens duidelijkheid voor alle betrokkenen over het aantal toegestane coffeeshops en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen.

In Maastricht is gekozen voor een tussenvariant; het stelsel van een afnemend maximum. Uiteindelijk wekt dit beleid de indruk erop gericht te zijn om het aantal coffeeshops op termijn te beperken tot een minimum. Hierbij kunnen echter vraagtekens worden gezet. Is dit beleid gericht op een uiteindelijke nulstand of is de gemeente bereid dit beleid bij te stellen en sluit de gemeente Maastricht zich aan bij de 95 % gemeenten die gekozen hebben voor een maximumbeleid ? Immers uit de voortgangsrapportage gedoogbeleid 2001-2002 van het Ministerie van VWS blijkt dat van de 504 Nederlandse gemeenten 95 % beleid heeft geformuleerd om het aantal coffeeshops te reguleren. Daarnaast zien wij een afname van het gemeenten die kiezen voor een nulbeleid. Het afschaffen of ‘wegwerken’ van het aantal coffeeshops biedt geen oplossing. De vraag blijft immers bestaan en werkt zelfs illegale straathandel in de hand.
Integrale aanpak
Softdruggebruik in Nederland is geen trend maar een maatschappelijk aanwezige factor vergelijkbaar met alcoholgebruik. Elke vorm van gebruik van genotsmiddelen kent excessen. Om deze excessen te voorkomen dienen de juiste middelen te worden ingezet vanuit een integrale aanpak. Om een goed beleid te voeren ten aanzien van de zichtbare vraag en het aanbod, dienen een aantal zaken goed gereguleerd te worden. Een van de middelen om tot een gezamenlijk afstemming en aanpak te komen is het opstellen van een convenant tussen betrokken partijen. De noodzaak van samenwerking tussen deze betrokken partijen (gemeentebestuur, OM, politie, CAD, GGD, stichting Trajekt en VOCM) voor een goede handhaving van het lokaal drugsbeleid behoeft nauwelijks betoog. Elk van de partijen is immers gebaat bij een transparant beleid. Er zijn voldoende voorbeelden van gemeenten die de coffeeshopvoorschriften niet hebben opgenomen in de vergunning of de gedoogbeschikking, maar in een convenant. Een convenant wordt ondertekend door de gemeente, de VOCM en de individuele coffeeshophouder en bevat alle afspraken en voorschriften die op basis van het lokale beleid aan coffeeshops worden gesteld. Voorwaarde is wel dat zo’n convenant niet op zichzelf staat, maar een aanvulling is op de vergunning en direct voortvloeit uit het lokale beleid.
Naast opstelling en ondertekening van een convenant/samenwerkingsovereenkomst kan de gemeente een zgn. handhavingarrangement opstellen. In een handhavingarrangement wordt concreet aangegeven wat de sancties zijn bij overtreding van de voorschriften van het coffeeshopbeleid. De gemeente (burgemeester), politie en OM hebben ieder eigen bevoegdheden op het terrein van handhaving. Het handhavingarrangement maakt inzichtelijk wanneer, door wie, met welk juridisch instrumentarium en met welke consequenties wordt opgetreden wanneer een coffeeshop zich niet houdt aan de vergunningvoorwaarden. Niet alle gemeenten kennen een uitgewerkt handhavingsarrangement. Het is wel aan te bevelen een dergelijk arrangement op te stellen, want een goed uitgewerkt handhavingsarrangement kent een aantal voordelen:
• Het maakt het beleid en de te ondernemen stappen duidelijk voor alle betrokkenen bij het lokaal drugsbeleid en voor de coffeeshopexploitant;
• Het maakt inzichtelijk wat de consequenties zijn van het (herhaald) overtreden van de lokale regels.
Per type overtreding wordt afgesproken hoe daarop wordt gereageerd. Dit wordt in de lokale driehoek overeengekomen.Dit heeft tot gevolg dat handhavingarrangementen, net als de voorwaarden verbonden aan exploitatievergunningen, van gemeente tot gemeente kunnen verschillen.
Overtreding van het ene AHOJG criterium wordt minder ernstig geacht dan het andere en er staat dan ook een andere sanctie op. Het verdiend aanbeveling dat vanuit het driehoeksoverleg een helder beleid wordt geformuleerd.
Overtreding van het verbod om harddrugs te verkopen moet dan bijvoorbeeld harder worden aangepakt dan overtreding van het afficheringverbod.
Een gedifferentieerd stappenplan dat goed aan alle betrokkenen is medegedeeld zal ook juridisch beter houdbaar zijn. Het handhavingsarrangement van het coffeeshopbeleid zou zich idealiter slechts hoeven te beperken tot de gedoogde coffeeshops. Er bestaan echter ook illegale verkooppunten van cannabis en ook het beleid ten aanzien van deze verkooppunten kan in een handhavingsarrangement aan de orde komen. Zo kan bijvoorbeeld worden aangegeven op welke wijze wordt opgetreden wanneer verkoop van cannabis wordt geconstateerd in een horeca-inrichting, zijnde geen gedoogd verkooppunt, of een vanuit een woning. (lees: illegale verkoop)
Ook hiervoor geldt dat een duidelijke communicatie aan alle betrokkenen van hoe de gemeente omgaat met illegale verkooppunten van cannabis, de houdbaarheid van het beleid ten goede komt.
Om het Maastrichtse coffeeshopbeleid evenwichtig te kunnen uitbouwen is het van belang de specifieke omstandigheden van de gemeente zo objectief mogelijk in kaart te brengen. Hoe groot is de vraag naar cannabisproducten in de gemeente, welke gebruikersgroepen zijn er te onderscheiden, is er sprake van problematisch gebruik, waar bevinden zich verkooppunten van cannabis, is er sprake van overlast en zo ja, in welke vorm? Op basis van onderzoek naar dergelijke gegevens zou de gemeente de juiste beleidskeuzes moeten maken. Om de lokale omstandigheden in kaart te brengen kan de gemeente te rade gaan bij de politie, het Openbaar Ministerie en de plaatselijke instelling voor verslavingszorg (GGD, CAD), jeugd- en jongerenwerk (stichting Trajekt), Vereniging van Officiële Coffeeshophouders (VOCM) en scholen. Deze beschikken, ieder vanuit de eigen werkzaamheden, over (cijfermatige) gegevens over de lokale situatie. Wij dringen ten zeerste aan om niet louter de gegevens maar ook de visie van genoemde instellingen te bestuderen en mee te laten wegen in besluitvorming
Bij de overwegingen dient echter ook het feit mee te wegen dat er tussen de gemeente Maastricht en omringende gemeenten een overeenkomst is gemaakt over regionaal beleid. Binnen de omringende gemeenten is gekozen voor de nul-optie. Dientengevolge is er naast een toestroom vanuit buurlanden duidelijk sprake van een toestroom vanuit omringende gemeenten, het zogenaamde binnenlandse drugstoerisme (o.a.Valkenburg). Het reduceren van het aantal coffeeshops in Maastricht zal niet alleen tot oncontroleerbare overlast door illegale verkoop binnen Maastricht leiden. Omringende gemeenten lopen hiermee eveneens een risico door de verplaatsing van illegale handel naar grensgemeenten. Vanuit de positie als centrumgemeente berust omtrent deze gevolgen eveneens een verantwoordelijkheid bij de gemeente Maastricht. Het beeld van de eigen gemeente en het lokale gebruik van cannabis is pas compleet als ook over de gemeentegrenzen heen wordt gekeken. Hoe ziet het coffeeshopbeleid bij buurgemeenten eruit? Geldt daar een vergelijkbare situatie? Of juist niet? Het is verstandig om binnen de regio het aantal inwoners en de hieraan gerelateerde vraag naar cannabisproducten te inventariseren en het coffeeshopbeleid hierop af te stemmen.
Na de typering van de gemeente, inzicht in het lokale cannabisgebruik en een schets van de omliggende gemeenten moet worden gezocht naar een evenwicht tussen de vraag naar cannabisproducten en het aanbod ervan. Aan het aanbod moeten dusdanige eisen worden gesteld, dat enerzijds aan de reële vraag tegemoet wordt gekomen, maar anderzijds geen drempelverlaging optreedt en het woon- en leefklimaat niet wordt verstoord. Dit evenwicht zal zowel per gemeente als per deel van de gemeente zeer verschillend kunnen zijn. In veel gemeenten worden uitsluitend coffeeshops toegestaan in het centrum en/of in vastgestelde horecaconcentratiegebieden. Ook kunnen er voor dat centrum of die concentratiegebieden aantallen worden vastgesteld en gelden er vaak afstandscriteria tussen coffeeshops onderling en tussen coffeeshops en bijvoorbeeld scholen. Op deze manier wordt in het beleid in abstracto aangegeven hoeveel coffeeshops Maastricht e.o. en het woon- en leefklimaat kan verdragen en onder welke voorwaarden. De antwoorden op de voorgaande vragen geven een beeld van de lokale situatie. Al deze voorvragen dienen uiteindelijk om tot een verantwoorde beleidskeuze te komen, zodat er eindelijk een helder en transparant beleid wordt gevoerd.
Verkeersoverlast
De veelvuldige klacht aan het adres van coffeeshophouders is dat het parkeerprobleem en verkeersoverlast in het centrum van de gemeente Maastricht mede wordt veroorzaakt door een toestroom naar en de aanwezigheid van coffeeshops in het centrum van de stad. Het is inmiddels met diverse rapporten aangetoond (waaronder een rapport van de Kamer van Koophandel) dat Maastricht al jaren kampt met een parkeerprobleem. Deze problemen worden niet alleen veroorzaakt door een krappe infrastructuur. De enorme bovenregionale aantrekkingskracht van Maastricht als winkelstad, cultuurstad en uitgaanscentrum zijn debet aan een enorme toestroom van bezoekers aan het stadscentrum. Mede door de vele werkzaamheden in en rond het centrum en het beperkt aantal parkeervoorzieningen is de overlast momenteel buitenproportioneel. De VOCM stelt alles in het werk om verkeersoverlast in de directe omgeving van de coffeeshops te beperken. Het is echter onmogelijk om verkeersoverlast significant te wijten aan de aanwezigheid van coffeeshops binnen het centrum. Immers bezoekers van Maastricht reizen om meervoudige redenen naar de stad. Het is een gegeven dat bezoekers van horecagelegenheden, winkelend publiek, toeristen en de vele dagjesmensen van het gevarieerde aanbod van de stad gebruik maken. Hieronder vallen natuurlijk ook de coffeeshops die deel uit maken van dit aanbod. In een eerder aan de gemeente toegezonden economisch rapport (uitgevoerd door de Wetenschapswinkel UM) zijn de onmiskenbare economische effecten van de aanwezigheid van coffeeshops omschreven. Het geschatte economisch effect van coffeeshops op de omzet in Maastricht bedroeg in het jaar 2000; 26,1 miljoen euro (57,5 mln. Gulden). Hierbij is de omzet van de officiële Coffeeshops niet meegerekend. Bij deze raming is uitgegaan van een minimale besteding. In eerdere gesprekken met de gemeente heeft de VOCM aangegeven dat vergunninghouders bereidwillig zijn om over verplaatsing (verhuizing) van een coffeeshop met de gemeente van gedachten te wisselen. Een optie die vooralsnog onvoldoende is uitgediept en aandacht verdiend. Mede daar dit een mogelijkheid zou bieden om mee te werken aan vermindering van de verkeersdrukte in de binnenstad.

Overdraagbaarheid vergunning
Een ander verbandhoudend aspect binnen deze discussienota vormt de overdraagbaarheid van de vergunning. Het is immers niet ondenkbaar dat een vergunninghouder door bijzondere omstandigheden niet meer in staat een zaak te voeren of dat een exploitant om uiteenlopende redenen zou willen stoppen. Tot op heden is er geen rechtvaardig beleid inzake deze. Wij willen u graag op de gevolgen wijzen indien er sprake is van een bijzondere situatie; een vergunninghouder in wettelijke zin niet meer in staat kan worden geacht een zaak te voeren, in geval van ernstige ziekte, of indien een vergunninghouder komt te overlijden. Hierover zouden wij graag een dialoog voeren om een redelijke en rechtvaardige consensus te bereiken.
Hiervoor draagt de VOCM zelf ook een mogelijke oplossing aan: Indien een vergunninghouder ernstig ziek wordt, handelsonbekwaam wordt verklaard of komt te overlijden, en de gemeente op grond hiervan het besluit neemt de coffeeshop te sluiten heeft dit verstrekkende (sociaal-economische) gevolgen voor zowel de gezinssituatie alsmede de werknemers. In de praktijk komt het erop neer dat in de meeste gevallen de broodwinning voor een gezin verloren gaat. Daarnaast zou dit betekenen dat de werknemers in dienst van de vergunninghouder met ingang van de sluiting werkloos zouden worden waardoor eveneens een aantal gezinnen worden getroffen. In de huidige situatie, met 17 bij de VOCM aangesloten coffeeshophouders, is sprake van een aanzienlijke werkgelegenheid van 192 personen (155,9 fte in het jaar 2000). Hierdoor ontstaat een situatie die vraagt om een redelijk en rechtvaardig beleid. Ook de wettelijke (erfrechtelijke) en juridische aspecten dienen te worden bekeken. Het is bijvoorbeeld in het geval van overlijden niet ondenkbaar dat een erfgerechtigde de onderneming zou willen voortzetten.
Sluiting van een coffeeshop om een van bovenstaande redenen heeft mede tot gevolg dat het hierdoor ontstane aanbod wordt overgenomen door de illegale straathandel, met alle nadelige gevolgen van dien.
Met name om schijnbeheer te voorkomen en een transparante zaakvoering te bevorderen dient de overdraagbaarheid van de vergunning uit andere overwegingen ook in ogenschouw te worden genomen (bijvoorbeeld bij het bereiken van de pensioensgerechtigde leeftijd of om economische redenen). In dit geval stelt de VOCM voor om een procedure te volgen waarbij een gegadigde voor overname van de vergunning gedurende een periode van twee jaar als beheerder/bedrijfsleider werkzaam is geweest. Indien voldoende is aangetoond dat deze in staat is om een coffeeshop naar behoren te voeren en zich houdt aan de afspraken die voortkomen uit het gedoogbeleid (samenwerkingsovereenkomsten, convenant etc.) zou de gemeente kunnen besluiten om de vergunning overdraagbaar te stellen aan deze persoon. Afspraken omtrent een dergelijke procedure zouden kunnen worden samengevat in een convenant.

Over het te volgen gemeentelijk coffeeshopbeleid lopen in politiek Maastricht de meningen uiteen. De gedachte dat beperking van het aantal coffeeshops in de stad Maastricht de overlast kan beperken is veel te simplistisch. De vraag neemt immers niet af wanneer er minder coffeeshops zijn en bovendien neemt de straathandel, de toeloop naar de overgebleven shops alsmede de illegale verkooppunten in de stad toe. De wezenlijke vraag is dan ook of de huidige probleemsituatie de voorkeur geniet boven verdere decriminalisering van de officiële coffeeshops. Uiteraard een politieke vraagstelling. De VOCM hoopt met deze discussienota de weg te openen voor een constructieve discussie die mogelijk kan leiden tot helder en eenduidig beleid. Een gelegenheid die de gemeente Maastricht de mogelijkheid biedt om een voortrekkersrol in te nemen. De coffeeshophouders, die bovenstaande zaken ook als probleem ervaren, zouden graag een actievere rol willen krijgen en zouden deze eigenlijk ook moéten krijgen bij de bestrijding van problemen door samenwerking met de gemeente, hulpverlening, zorg en andere betrokken partijen.

Dagelijks Bestuur VOCM
December 2002

Referenties

Titel
Evaluatie coffeeshopbeleid
Corporatieve auteur
Gemeente Maastricht

titel
De Wet ‘Damocles’ : bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet
Auteurs
W.A.G. Hillenaar; E.H.M. Franssen; D.D.H. Leue; R.L. Timmermans

Titel
De bestuursrechtelijke bestrijding van drugsoverlast: een beschrijving vanuit de praktijk
Auteur
J.M.G. Vincken

Titel
De Burgemeester in de Opiumwet
Auteur
H.Ph.J.A.M. Hennekens

Titel
Aantal coffeeshops en gemeentelijk beleid in 2001
Auteurs
B. Bieleman; P. Goeree

Titel
Het Nederlands drugsbeleid: continuïteit en verandering
Uitgever
Ministerie van VWS, Ministeries van Justitie, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Titel
Drugsbeleid: voortgangsrapportage
Corporatieve Auteur
Ministerie van VWS

Titel
Coffeeshops in Nederland: aantallen en gemeentelijk beleid in 2000
Auteurs
B. Bieleman; P. Goeree
Corporatieve auteurs
Stichting Intraval, Ministerie van Justitie, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC)

Titel
De economische effecten van coffeeshops voor Maastricht
Auteur
M. Oude Wansink; Wetenschapswinkel Universiteit Maastricht

Titel
Project Hektor; integraal veiligheidsbeleid
Corporatieve auteur
Gemeente Venlo

Falen aanhangsel G van AHOJ richtlijnen

Het falen van wormvormig aanhangsel G van de AHOJ richtlijnen.

Bij de G heeft niet alleen de 5 gram verkoopregel maar ook de 500 gram voorraadregel gezorgd voor een frequentere aanloop bij de coffeeshops.

De omzet van de coffeeshops is niet afgenomen sinds de invoering van de 5/500 grams regeling.

In de praktijk blijkt dat de aanloop bij de coffeeshops significant gestegen is, e.e.a. is te verklaren door onderstaande berekeningen.

Bezoekeraantallen bij een omzet van 1000 gram/dag :

1000 gram : 5 gram = 200 bezoekers/dag (heden)
1000 gram : 10 gram = 100 bezoekers/dag (1993*)
1000 gram : 15 gram = 67 bezoekers/dag
1000 gram : 20 gram = 50 bezoekers/dag
1000 gram : 30 gram = 33 bezoekers/dag

Voor invoering van de G kocht uiteraard niet iedere klant 30 gram maar het is wel duidelijk welk effect dit heeft op de aanloop.
Uit het onderzoek naar coffeeshops, jeugd en toerisme blijkt dat de aankoop hoeveelheid per bezoeker in 1993 het dubbele van 2001 was.

Aanvoer voorraad van 500 gram :

De gemiddelde coffeeshop heeft 15 soorten Hasj en Wiet in voorraad.

Voorraad 500 gram : 15 soorten = gemiddeld 33 gram/soort
33 gram : 5 gram = 6,6 bezoekers.
Dus als deze 33 gram op zijn, moet deze soort aangevoerd worden naar de coffeeshop.

Hieruit blijkt dat de verplichte frequente aanvoer van voorraad, de aanloop naar de coffeeshop nog verder onder druk zet.

Nemen wij hier nog bij dat een joint met een totaal gewicht van 1,1 gram en een inhoud van 0,3 gram hasj of wiet als 1,1 gram voorraad geteld wordt.
De gemiddelde coffeeshop heeft 50 joints in voorraad met een gewicht van 50 „e 1,1 = 55 gram.
Ook de takken (afval) van de wiet wordt als voorraad geteld.
Trekt men de joints en de takken van de handelsvoorraad af dan komt men op iets meer dan 400 gram.

Tot slot :

Iedereen kan hieruit concluderen dat deze 5/500 gram regel geen reden van bestaan heeft en een zware druk uitoefent op het normaal functioneren van coffeeshops.
Het leidt tot grotere aantallen bezoekers en daardoor is de kans op overlastgevoelens in de buurt weer gestegen!

Het onderzoek naar coffeeshops, jeugd en toerisme was gemakkelijk omdat (legale) coffeeshops bovengronds opereren en aan alle (te) strenge criteria voldoen.

De bezoekers van coffeeshops konden voor het overgrote deel niet aangeven waar je harddrugs kon krijgen, hierdoor wordt aangetoond dat de coffeeshops aan de doelstelling van gescheiden markten (hard- en softdrugs) voldoen.

Wij vinden het een groot gemis dat het illegale (hard- en softdrugs) circuit, welke zich aan geen enkele (AHOJ-G) regelgeving houdt, niet in dit onderzoek meegenomen is.
Men hoeft zich geen illusie te maken dat zij het gat in de markt wat betreft de jeugdigen en de 5 grams regel niet hebben opgevuld!

Economische effect coffeeshops in Maastricht

Economische effect coffeeshops in Maastricht (1 februari 2001)
DE ECONOMISCHE EFFECTEN VAN COFFEESHOPS VOOR MAASTRICHT

Maurice Oude Wansink

Uitgevoerd door:
drs.Maurice Oude Wansink (OWP Research)

Naar aanleiding van een vraag van:
Vereniging Officiële Coffeeshops Maastricht

Wetenschapswinkel
Universiteit Maastricht
Postbus 616
6200 MD Maastricht

tel. 043-3883120
fax. 043-3257428
emailadres: wetenschapswinkel@sz.unimaas.nl
homepage: www.ssc.unimaas.nl/wetenschapswinkel/index.htm

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord 3

Samenvatting 5
1. Inleiding 7

2. Opzet van het onderzoek 9

3. Beschrijving van de gegevens 13
3.1 De coffeeshops 13
3.2 De bezoekers 15

4. De economische effecten 25
4.1 De coffeeshops 25
4.2 De bezoekers 27
4.3 Het totale beeld 30

Referenties 33

Eindnoten 35
Bijlage 1: De vragenlijst 37
Voorwoord

In december 2000 werd de Wetenschapswinkel Universiteit Maastricht Benaderd door de Vereniging Offiele Coffeeshops in Maastricht (VOCM).
Vna de 19 officiele coffeeshops die Maastricht telt, zijn er 18 aangesloten bij deze belangenvereniging. Op dat moment was zojuist de voorlopige evaluatie van het coffeeshopbeleid in Maastricht gepresenteerd (Evaluatie Coffeeshopbeleid, Gemeente Maastricht, 2000, concept/blauwe fase). In deze voorlopige evaluatie van het gemeentelijk coffeeshopbeleid in Maastricht, wordt kenbaar gemaakt dat niet is onderzocht in hoeverre Maastrichtse coffeeshops en hun bezoekers economisch voordeel opleveren voor de stad.
Om deze reden benaderde de VOCM de wetenschapswinkel met het verzoek te onderzoeken hoe groot het economisch belang is van de officiele coffeeshops in Maastricht. Hierbij werd niet alleen gedacht aan het directe economische belang voor de coffeeshopszelf, maar ook aan de economische effecten voor de rest van Maastricht (bijvoorbeeld horreca en winkels, etc).

Over het te volgen gemeentelijke coffeeshopbeleid lopen in politiek Maastricht de meningen sterk uiteen: van sluiting van de bestaande coffeeshops (“zero-tolerance”) tot het volgen van een uitsterfbeleid, waarbijde vergunning van de huidige coffeeshops niet overdraagbaar zijn aan een ander die de coffeeshop wil voortzetten, tot de mogelijke uitbreiding van het aantal shops, indien mocht blijken dat dit de overlast voor de burgers zal verminderen.

Al eerder voerde de wetenschapswinkel een onderzoek uit naar de situatie rond cannabis in Maastricht. Daarin werd al aangegeven dat de gedachte dat beperking van het aantal coffeeshops in de stad Maastricht de overlast voor omwonenden kan beperken, veel te simplistisch is. De vraag van de gebruikers neemt immers niet of nauwelijks af wanneer er minder coffeeshops zijn en bovendien neemt de toeloop naar de overgeblevenen shops (ook de illigale verkooppunten in de stad, inclusief straathandel) toe. Hierdoor kan de overlast zelfs toenemen. Bovendien-zo bleek uit studies die Polyground verrichte naar onder meer de overlast rond coffeeshops in enkele grote steden in Nederland /valt het met de vermeende overlast rond coffeeshops reuze mee. Zo ook in Maastricht. Uit het rapport `kwaliteitsaanpak Grote Gracht/Brusselsestraat startfase± onderzoek` blijkt dat de overlast met name afkomstig is van kroegen en studenten, of dat er sprake is van een vaak subjectief onveiligheidsgevoel.

De huidige discussie over het aantal coffeeshops in Maastricht dreigt dan ook voorbij te gaan aan de kern van de zaak: hoe als samenleving (stad Maastricht ) om te gaan met de behoefte van velen- met name de jeugdigen- om op hoofdzakelijk recreatieve wijze drugs te gebruiken. In de eerste plaats gaat het dan natuurlijk om alcohol op ruime afstand gevolgd door cannabis.

De voor U liggende studie, die Maurice Oude Wansink op verzoek van de wetenschapswinkel uitvoerde, toont inderdaad aan dat de vraag naar cannabis in Maastricht zeer substantieel is. Ruim 1,1 miljoen klanten bezoeken per jaar de Maastrichtse coffeeshops. Hiervan komt ongeveer 70% uit het buitenland. Maar liefst 2/3 deel hiervan komt speciaal naar Maastricht om een coffeeshop te bezoeken. Het overige deel (ruim 30%) bezoekt Maastricht om andere redenen, maar brengt ook een bezoek aan de coffeeshop. Het op termijn sluiten van de officielle coffeeshops in Maastricht zal ongestwijfeld leiden tot een daling van deze vraag in Maastricht en een verplaatsing van de vraag naar omliggende gemeenten. Over de omvang van deze daling valt echter te discussieren. Zeker gezien het feit dat er ook in Maastricht sprake is van een substantieel illigaal circuit om aan de huidige vraag te kunnen voldoen. Sluiting van de officiele coffeeshops zal een belangrijk deel van de vraag verplaatsen naaar illigale verkooppunten.

De wezenlijke vraag is dan ook of verdergaande decriminalisering van gebruik, distributie en productie van cannabis niet te prefereren valt boven verdergaande criminalisering. Uiteraard een politieke vraagstelling. Maar indien mocht blijken dat het antwoord op deze vraagstelling bevestigend is, dan opent dit de weg voor betere voorlichting aan de jeugd over drugsgebruik, betere mogelijkheden voor preventie van probleemgebruik en beter mogelijkheden voor controle en beheersing van eventuele overlast.
De coffeeshophouder – die bovenstaande zaken vaak ook als probleem ervaart – zou een actievere rol moeten krijgen bij de bestrijding van deze problemen door samenwerking met de verslavingszorg om probleemgebruik aan te pakken en voorlichting te verzorgen in de coffeeeshops, samenwerking met de wijkagent om overlast voor de buurt te beperken, overleg met scholen, etc.

Maurice Evers

Wetenschapswinkel Universiteit Maastricht.