Softdrugsbeleid gemeente Maastricht

Streven naar samenwerking en integrale aanpak

of gedoogbeleid in duigen ?

Discussienota samengesteld door directie & bestuur VOCM december 2002

Voorwoord

Hoe moet het verder met het gedoogbeleid in de gemeente Maastricht? De uitgangspunten van het Nederlandse gedoogbeleid (1976); scheiding van de markten tussen softdrugs en harddrugs en het terugdringen van illegale handel en criminaliteit, lijken weg te vloeien in een zee van onduidelijkheid. Waar bestuurders eerst verantwoordelijk en realistisch leken te handelen, lijkt het nu eerder alsof zij de ogen sluiten voor de realiteit en de risico’s het huidige beleid met zich meebrengt. Pleidooien voor heldere regels en duidelijke handhaving en afspraken tussen belanghebbende partijen bieden soelaas. Er is een situatie ontstaan die vraagt om een hernieuwde discussie. De problematiek van de rechtshandhaving is complex en weerbarstig; zij impliceert echter ook een nauwgezette wisselwerking tussen overheid en burger en de betrokken partijen binnen de gemeente Maastricht. Beleid gericht op samenwerking, het creëren van de juiste randvoorwaarden, regulering en het naleven van heldere afspraken speelt hierin een belangrijke rol, mits de juiste voorwaarden aanwezig zijn.
Maastricht telt momenteel 18 officiële coffeeshops. Hiervan zijn 17 coffeeshophouders verenigd in de Vereniging van Officiële Coffeeshops Maastricht (VOCM). De doelstellingen van de VOCM zijn helder en eenduidig en zijn gericht op samenwerking tussen VOCM, overheid (gemeente), maatschappelijke organisaties op het gebied van volksgezondheid (GGD, CAD) en justitie.
De VOCM is doordrongen van haar maatschappelijke verantwoordelijkheid binnen de gemeente Maastricht. Een verantwoordelijkheid die niet alleen gericht is richting bestuurders maar ook naar de burger. Er is de VOCM veel aan gelegen om na jaren te komen tot een constructieve houding jegens elkaar. Dit wordt onderstreept door een oproep om een nieuwe discussie aan te gaan over een aantal onderwerpen binnen het Maastrichtse gedoogbeleid. De VOCM heeft een uitgesproken visie als het gaat om softdrugs en softdrugsbeleid en wijst associaties met harddrugs stellig van de hand. Aanvankelijk heeft de VOCM getracht om vanuit een integrale aanpak, in samenwerking met het CAD Limburg, GGD Zuidelijk Zuid-Limburg en Stichting Trajekt, te komen tot een gezamenlijke discussienota. Laatstgenoemde instanties hebben echter gekozen voor een onafhankelijke opstelling maar hebben expliciet verklaard bereidwillig te zijn om op verzoek van de gemeente, en op korte termijn, hun visie weer te geven.

Doelstellingen VOCM

• Het namens de officiële Coffeeshophouders (vergunninghouders) behartigen van belangen binnen het raam en de reikwijdte van de zgn. AHOJG richtlijnen
• Het voeren en nastreven van overleg met overheidsinstanties (Gemeente), diverse maatschappelijke organisaties op het gebied van volksgezondheid, zorg en Justitie (CAD, GGD, Politie), wijkraden, buurtraden, ouderorganisaties etc.
• Het geven van voorlichting aan belangstellenden en belanghebbenden m.b.t. sofdrugsgebruik en softdrugsbeleid (politieke partijen, Ouders)
• Het inzichtelijk maken het softdrugsbeleid op lokaal alsmede landelijk niveau
• Het nastreven en naleven van afspraken gericht op het beperken en terugdringen van overlast.
• Het nastreven van een pro-actieve houding ten aanzien van lokaal beleid.
• Het leveren van inspanningen die een positieve bijdrage leveren aan het veiligheidsgevoel binnen de woonomgeving.

De VOCM stelt dat alle leden zich dienen te houden aan de gestelde AHOJG-criteria. Voor de exploitatie van een gedoogde coffeeshop gelden deze zogenoemde criteria, welke inhouden:
A geen affichering: betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit;
H geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht worden;
O geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshops, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten;
J geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang aan jeugdigen tot een coffeeshop: gelet op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar;
G geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan 5 gram.
Wanneer een gedoogde coffeeshop zich houdt aan de door de lokale driehoek vastgestelde beleidsregels wordt door het OM niet opgetreden.
De VOCM neemt deel aan structureel overleg en zet eigen middelen in om aan de AHOJG richtlijnen invulling te geven:
• Het voeren van regelmatig overleg met maatschappelijk organisaties en overheid. Hoewel er in Maastricht formeel nog geen convenant is opgesteld en getekend, bestaat dit in principe wel. Immers de VOCM, GGD, CAD, gemeente en politie hebben regelmatig overleg over het te voeren beleid en de daarbij behorende preventie.
• Het voeren van regelmatig overleg met wijk- en buurtraden. (Scharnerweg en Grote Gracht/Brusselsestraat)
• Het opstellen, drukken en uitgeven van folders in drie talen met informatieve en preventieve teksten voor bezoekers.
• Het opstellen en zoveel mogelijk handhaven van gedragsregels (waarden en normen) voor bezoekers en met name buitenlandse bezoekers. Hierbij wordt worden gewezen op in Nederland geldende waarden en normen.
• Het scheppen van overlastbeperkende randvoorwaarden.
• Objectieve bemiddeling door aanstelling van een woordvoerder (directeur), zelf geen belanghebbende d.w.z. niet werkzaam in de cannabisbranche.
• Het in samenwerking met CAD, GGD en politie organiseren van cursussen voor beheerders en medewerkers van de coffeeshops.
Samenvatting huidige gedoogbeleid Maastricht
Eerst wordt een beschrijving gegeven van de voorgeschiedenis van en de actuele stand van zaken m.b.t. de coffeeshops in Maastricht, het drugstoerisme aldaar en de overlast van de coffeeshops. Vervolgens wordt de zorgkant van het in Maastricht gevoerde gedoogbeleid voor softdrugs belicht. Aan de orde komen de aanvaardbare gezondheidsrisico’s en de preventie van cannabisgebruik, alsmede de behandeling van cannabisverslaving (problemen met overmatig cannabisgebruik).
Voorts worden het huidige coffeeshopbeleid en het juridisch kader hiervoor in kaart gebracht. Dit kader wordt voornamelijk gevormd door regelgeving, zoals o.a. de overlastbepalingen van de APV, de leefmilieuverordening en de Wet Damocles (art. 13b, lid 1, Opiumwet) die de burgemeester bevoegd verklaart tot toepassing van bestuursdwang, indien in voor het publiek toegankelijke lokalen wordt gehandeld in verdovende middelen. Ook wordt bekeken in hoeverre de van toepassing zijnde doelstellingen van het integrale drugsbeleid uit 1993 – te weten het tegengaan van (soft)drugstoerisme en het terugdringen van (soft)drugsoverlast – in Maastricht bereikt zijn. Verder worden enkele bij de uitvoering van het huidige beleid gesignaleerde knelpunten beschreven en worden oplossingen voor deze knelpunten voorgesteld. Het betreft problemen m.b.t. onder meer de overname van coffeeshops, de (on)mogelijkheid om een coffeeshop te verplaatsen, de verklaring omtrent het gedrag en het aantal beheerders van een coffeeshop. Daarna worden twee actuele onderwerpen besproken, te weten het beleid t.a.v. de ‘achterdeur’ en de vestiging van smart–, head– en growshops en worden ter zake enige beleidsvoorstellen gedaan. Tevens wordt een overzicht gegeven van de inspraakreacties op de (concept–)nota en van het standpunt van B en W omtrent deze reacties. Tot slot worden de geformuleerde voorstellen als afzonderlijke beslispunten aan de gemeenteraad voorgelegd.
Het stelsel van het afnemend maximum

Er zijn op basis van een analyse van lokale en regionale situaties verschillende varianten van coffeeshopbeleid te onderscheiden. Hierin zijn twee stelsels te onderscheiden:

a. Nulbeleid; geen coffeeshops
b. Beleid met een maximum aantal coffeeshops

Het zogenaamde nulbeleid of nuloptie is erop gericht dat geen coffeeshops worden toegelaten. Een nulbeleid moet goed gemotiveerd worden aan de hand van een analyse van de lokale situatie. Een belangrijk gevolg van een nulstelsel is dat er illegale verkooppunten ontstaan, met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien. Zoals meer overlast vanuit woningen en van straathandel, mogelijke combinatie met de verkoop van harddrugs, verkoop aan minderjarigen en dergelijke. Een ander risico is de verplaatsing van cannabisverkoop naar aangrenzende gemeenten. Door middel van goede afspraken of een gezamenlijk beleid, kan worden geprobeerd het ontstaan van illegale verkooppunten te voorkomen, te beperken of terug te dringen.
Een maximumstelsel houdt in dat een gemeente een vastgesteld maximum aantal coffeeshops wordt toelaten.Uit jurisprudentie blijkt dat als het beleid goed gemotiveerd is, de concrete overlast als gevolg van de vestiging van een coffeeshop boven het gestelde maximum niet meer hoeft te worden bewezen.Het maximum aantal coffeeshops wordt bepaald aan de hand van de analyse van de lokale situatie.In dit beleid wordt omschreven dat er ruimte is voor het toelaten van een aantal coffeeshops, maar dat een overschrijding van het vastgestelde maximum zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefklimaat in de gemeente.
Omdat een maximum aantal coffeeshops is opgenomen in het beleid kan wildgroei worden voorkomen en kan tegen de vestiging van andere verkooppunten worden opgetreden. Het maximumstelsel geeft tevens duidelijkheid voor alle betrokkenen over het aantal toegestane coffeeshops en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen.

In Maastricht is gekozen voor een tussenvariant; het stelsel van een afnemend maximum. Uiteindelijk wekt dit beleid de indruk erop gericht te zijn om het aantal coffeeshops op termijn te beperken tot een minimum. Hierbij kunnen echter vraagtekens worden gezet. Is dit beleid gericht op een uiteindelijke nulstand of is de gemeente bereid dit beleid bij te stellen en sluit de gemeente Maastricht zich aan bij de 95 % gemeenten die gekozen hebben voor een maximumbeleid ? Immers uit de voortgangsrapportage gedoogbeleid 2001-2002 van het Ministerie van VWS blijkt dat van de 504 Nederlandse gemeenten 95 % beleid heeft geformuleerd om het aantal coffeeshops te reguleren. Daarnaast zien wij een afname van het gemeenten die kiezen voor een nulbeleid. Het afschaffen of ‘wegwerken’ van het aantal coffeeshops biedt geen oplossing. De vraag blijft immers bestaan en werkt zelfs illegale straathandel in de hand.
Integrale aanpak
Softdruggebruik in Nederland is geen trend maar een maatschappelijk aanwezige factor vergelijkbaar met alcoholgebruik. Elke vorm van gebruik van genotsmiddelen kent excessen. Om deze excessen te voorkomen dienen de juiste middelen te worden ingezet vanuit een integrale aanpak. Om een goed beleid te voeren ten aanzien van de zichtbare vraag en het aanbod, dienen een aantal zaken goed gereguleerd te worden. Een van de middelen om tot een gezamenlijk afstemming en aanpak te komen is het opstellen van een convenant tussen betrokken partijen. De noodzaak van samenwerking tussen deze betrokken partijen (gemeentebestuur, OM, politie, CAD, GGD, stichting Trajekt en VOCM) voor een goede handhaving van het lokaal drugsbeleid behoeft nauwelijks betoog. Elk van de partijen is immers gebaat bij een transparant beleid. Er zijn voldoende voorbeelden van gemeenten die de coffeeshopvoorschriften niet hebben opgenomen in de vergunning of de gedoogbeschikking, maar in een convenant. Een convenant wordt ondertekend door de gemeente, de VOCM en de individuele coffeeshophouder en bevat alle afspraken en voorschriften die op basis van het lokale beleid aan coffeeshops worden gesteld. Voorwaarde is wel dat zo’n convenant niet op zichzelf staat, maar een aanvulling is op de vergunning en direct voortvloeit uit het lokale beleid.
Naast opstelling en ondertekening van een convenant/samenwerkingsovereenkomst kan de gemeente een zgn. handhavingarrangement opstellen. In een handhavingarrangement wordt concreet aangegeven wat de sancties zijn bij overtreding van de voorschriften van het coffeeshopbeleid. De gemeente (burgemeester), politie en OM hebben ieder eigen bevoegdheden op het terrein van handhaving. Het handhavingarrangement maakt inzichtelijk wanneer, door wie, met welk juridisch instrumentarium en met welke consequenties wordt opgetreden wanneer een coffeeshop zich niet houdt aan de vergunningvoorwaarden. Niet alle gemeenten kennen een uitgewerkt handhavingsarrangement. Het is wel aan te bevelen een dergelijk arrangement op te stellen, want een goed uitgewerkt handhavingsarrangement kent een aantal voordelen:
• Het maakt het beleid en de te ondernemen stappen duidelijk voor alle betrokkenen bij het lokaal drugsbeleid en voor de coffeeshopexploitant;
• Het maakt inzichtelijk wat de consequenties zijn van het (herhaald) overtreden van de lokale regels.
Per type overtreding wordt afgesproken hoe daarop wordt gereageerd. Dit wordt in de lokale driehoek overeengekomen.Dit heeft tot gevolg dat handhavingarrangementen, net als de voorwaarden verbonden aan exploitatievergunningen, van gemeente tot gemeente kunnen verschillen.
Overtreding van het ene AHOJG criterium wordt minder ernstig geacht dan het andere en er staat dan ook een andere sanctie op. Het verdiend aanbeveling dat vanuit het driehoeksoverleg een helder beleid wordt geformuleerd.
Overtreding van het verbod om harddrugs te verkopen moet dan bijvoorbeeld harder worden aangepakt dan overtreding van het afficheringverbod.
Een gedifferentieerd stappenplan dat goed aan alle betrokkenen is medegedeeld zal ook juridisch beter houdbaar zijn. Het handhavingsarrangement van het coffeeshopbeleid zou zich idealiter slechts hoeven te beperken tot de gedoogde coffeeshops. Er bestaan echter ook illegale verkooppunten van cannabis en ook het beleid ten aanzien van deze verkooppunten kan in een handhavingsarrangement aan de orde komen. Zo kan bijvoorbeeld worden aangegeven op welke wijze wordt opgetreden wanneer verkoop van cannabis wordt geconstateerd in een horeca-inrichting, zijnde geen gedoogd verkooppunt, of een vanuit een woning. (lees: illegale verkoop)
Ook hiervoor geldt dat een duidelijke communicatie aan alle betrokkenen van hoe de gemeente omgaat met illegale verkooppunten van cannabis, de houdbaarheid van het beleid ten goede komt.
Om het Maastrichtse coffeeshopbeleid evenwichtig te kunnen uitbouwen is het van belang de specifieke omstandigheden van de gemeente zo objectief mogelijk in kaart te brengen. Hoe groot is de vraag naar cannabisproducten in de gemeente, welke gebruikersgroepen zijn er te onderscheiden, is er sprake van problematisch gebruik, waar bevinden zich verkooppunten van cannabis, is er sprake van overlast en zo ja, in welke vorm? Op basis van onderzoek naar dergelijke gegevens zou de gemeente de juiste beleidskeuzes moeten maken. Om de lokale omstandigheden in kaart te brengen kan de gemeente te rade gaan bij de politie, het Openbaar Ministerie en de plaatselijke instelling voor verslavingszorg (GGD, CAD), jeugd- en jongerenwerk (stichting Trajekt), Vereniging van Officiële Coffeeshophouders (VOCM) en scholen. Deze beschikken, ieder vanuit de eigen werkzaamheden, over (cijfermatige) gegevens over de lokale situatie. Wij dringen ten zeerste aan om niet louter de gegevens maar ook de visie van genoemde instellingen te bestuderen en mee te laten wegen in besluitvorming
Bij de overwegingen dient echter ook het feit mee te wegen dat er tussen de gemeente Maastricht en omringende gemeenten een overeenkomst is gemaakt over regionaal beleid. Binnen de omringende gemeenten is gekozen voor de nul-optie. Dientengevolge is er naast een toestroom vanuit buurlanden duidelijk sprake van een toestroom vanuit omringende gemeenten, het zogenaamde binnenlandse drugstoerisme (o.a.Valkenburg). Het reduceren van het aantal coffeeshops in Maastricht zal niet alleen tot oncontroleerbare overlast door illegale verkoop binnen Maastricht leiden. Omringende gemeenten lopen hiermee eveneens een risico door de verplaatsing van illegale handel naar grensgemeenten. Vanuit de positie als centrumgemeente berust omtrent deze gevolgen eveneens een verantwoordelijkheid bij de gemeente Maastricht. Het beeld van de eigen gemeente en het lokale gebruik van cannabis is pas compleet als ook over de gemeentegrenzen heen wordt gekeken. Hoe ziet het coffeeshopbeleid bij buurgemeenten eruit? Geldt daar een vergelijkbare situatie? Of juist niet? Het is verstandig om binnen de regio het aantal inwoners en de hieraan gerelateerde vraag naar cannabisproducten te inventariseren en het coffeeshopbeleid hierop af te stemmen.
Na de typering van de gemeente, inzicht in het lokale cannabisgebruik en een schets van de omliggende gemeenten moet worden gezocht naar een evenwicht tussen de vraag naar cannabisproducten en het aanbod ervan. Aan het aanbod moeten dusdanige eisen worden gesteld, dat enerzijds aan de reële vraag tegemoet wordt gekomen, maar anderzijds geen drempelverlaging optreedt en het woon- en leefklimaat niet wordt verstoord. Dit evenwicht zal zowel per gemeente als per deel van de gemeente zeer verschillend kunnen zijn. In veel gemeenten worden uitsluitend coffeeshops toegestaan in het centrum en/of in vastgestelde horecaconcentratiegebieden. Ook kunnen er voor dat centrum of die concentratiegebieden aantallen worden vastgesteld en gelden er vaak afstandscriteria tussen coffeeshops onderling en tussen coffeeshops en bijvoorbeeld scholen. Op deze manier wordt in het beleid in abstracto aangegeven hoeveel coffeeshops Maastricht e.o. en het woon- en leefklimaat kan verdragen en onder welke voorwaarden. De antwoorden op de voorgaande vragen geven een beeld van de lokale situatie. Al deze voorvragen dienen uiteindelijk om tot een verantwoorde beleidskeuze te komen, zodat er eindelijk een helder en transparant beleid wordt gevoerd.
Verkeersoverlast
De veelvuldige klacht aan het adres van coffeeshophouders is dat het parkeerprobleem en verkeersoverlast in het centrum van de gemeente Maastricht mede wordt veroorzaakt door een toestroom naar en de aanwezigheid van coffeeshops in het centrum van de stad. Het is inmiddels met diverse rapporten aangetoond (waaronder een rapport van de Kamer van Koophandel) dat Maastricht al jaren kampt met een parkeerprobleem. Deze problemen worden niet alleen veroorzaakt door een krappe infrastructuur. De enorme bovenregionale aantrekkingskracht van Maastricht als winkelstad, cultuurstad en uitgaanscentrum zijn debet aan een enorme toestroom van bezoekers aan het stadscentrum. Mede door de vele werkzaamheden in en rond het centrum en het beperkt aantal parkeervoorzieningen is de overlast momenteel buitenproportioneel. De VOCM stelt alles in het werk om verkeersoverlast in de directe omgeving van de coffeeshops te beperken. Het is echter onmogelijk om verkeersoverlast significant te wijten aan de aanwezigheid van coffeeshops binnen het centrum. Immers bezoekers van Maastricht reizen om meervoudige redenen naar de stad. Het is een gegeven dat bezoekers van horecagelegenheden, winkelend publiek, toeristen en de vele dagjesmensen van het gevarieerde aanbod van de stad gebruik maken. Hieronder vallen natuurlijk ook de coffeeshops die deel uit maken van dit aanbod. In een eerder aan de gemeente toegezonden economisch rapport (uitgevoerd door de Wetenschapswinkel UM) zijn de onmiskenbare economische effecten van de aanwezigheid van coffeeshops omschreven. Het geschatte economisch effect van coffeeshops op de omzet in Maastricht bedroeg in het jaar 2000; 26,1 miljoen euro (57,5 mln. Gulden). Hierbij is de omzet van de officiële Coffeeshops niet meegerekend. Bij deze raming is uitgegaan van een minimale besteding. In eerdere gesprekken met de gemeente heeft de VOCM aangegeven dat vergunninghouders bereidwillig zijn om over verplaatsing (verhuizing) van een coffeeshop met de gemeente van gedachten te wisselen. Een optie die vooralsnog onvoldoende is uitgediept en aandacht verdiend. Mede daar dit een mogelijkheid zou bieden om mee te werken aan vermindering van de verkeersdrukte in de binnenstad.

Overdraagbaarheid vergunning
Een ander verbandhoudend aspect binnen deze discussienota vormt de overdraagbaarheid van de vergunning. Het is immers niet ondenkbaar dat een vergunninghouder door bijzondere omstandigheden niet meer in staat een zaak te voeren of dat een exploitant om uiteenlopende redenen zou willen stoppen. Tot op heden is er geen rechtvaardig beleid inzake deze. Wij willen u graag op de gevolgen wijzen indien er sprake is van een bijzondere situatie; een vergunninghouder in wettelijke zin niet meer in staat kan worden geacht een zaak te voeren, in geval van ernstige ziekte, of indien een vergunninghouder komt te overlijden. Hierover zouden wij graag een dialoog voeren om een redelijke en rechtvaardige consensus te bereiken.
Hiervoor draagt de VOCM zelf ook een mogelijke oplossing aan: Indien een vergunninghouder ernstig ziek wordt, handelsonbekwaam wordt verklaard of komt te overlijden, en de gemeente op grond hiervan het besluit neemt de coffeeshop te sluiten heeft dit verstrekkende (sociaal-economische) gevolgen voor zowel de gezinssituatie alsmede de werknemers. In de praktijk komt het erop neer dat in de meeste gevallen de broodwinning voor een gezin verloren gaat. Daarnaast zou dit betekenen dat de werknemers in dienst van de vergunninghouder met ingang van de sluiting werkloos zouden worden waardoor eveneens een aantal gezinnen worden getroffen. In de huidige situatie, met 17 bij de VOCM aangesloten coffeeshophouders, is sprake van een aanzienlijke werkgelegenheid van 192 personen (155,9 fte in het jaar 2000). Hierdoor ontstaat een situatie die vraagt om een redelijk en rechtvaardig beleid. Ook de wettelijke (erfrechtelijke) en juridische aspecten dienen te worden bekeken. Het is bijvoorbeeld in het geval van overlijden niet ondenkbaar dat een erfgerechtigde de onderneming zou willen voortzetten.
Sluiting van een coffeeshop om een van bovenstaande redenen heeft mede tot gevolg dat het hierdoor ontstane aanbod wordt overgenomen door de illegale straathandel, met alle nadelige gevolgen van dien.
Met name om schijnbeheer te voorkomen en een transparante zaakvoering te bevorderen dient de overdraagbaarheid van de vergunning uit andere overwegingen ook in ogenschouw te worden genomen (bijvoorbeeld bij het bereiken van de pensioensgerechtigde leeftijd of om economische redenen). In dit geval stelt de VOCM voor om een procedure te volgen waarbij een gegadigde voor overname van de vergunning gedurende een periode van twee jaar als beheerder/bedrijfsleider werkzaam is geweest. Indien voldoende is aangetoond dat deze in staat is om een coffeeshop naar behoren te voeren en zich houdt aan de afspraken die voortkomen uit het gedoogbeleid (samenwerkingsovereenkomsten, convenant etc.) zou de gemeente kunnen besluiten om de vergunning overdraagbaar te stellen aan deze persoon. Afspraken omtrent een dergelijke procedure zouden kunnen worden samengevat in een convenant.

Over het te volgen gemeentelijk coffeeshopbeleid lopen in politiek Maastricht de meningen uiteen. De gedachte dat beperking van het aantal coffeeshops in de stad Maastricht de overlast kan beperken is veel te simplistisch. De vraag neemt immers niet af wanneer er minder coffeeshops zijn en bovendien neemt de straathandel, de toeloop naar de overgebleven shops alsmede de illegale verkooppunten in de stad toe. De wezenlijke vraag is dan ook of de huidige probleemsituatie de voorkeur geniet boven verdere decriminalisering van de officiële coffeeshops. Uiteraard een politieke vraagstelling. De VOCM hoopt met deze discussienota de weg te openen voor een constructieve discussie die mogelijk kan leiden tot helder en eenduidig beleid. Een gelegenheid die de gemeente Maastricht de mogelijkheid biedt om een voortrekkersrol in te nemen. De coffeeshophouders, die bovenstaande zaken ook als probleem ervaren, zouden graag een actievere rol willen krijgen en zouden deze eigenlijk ook moéten krijgen bij de bestrijding van problemen door samenwerking met de gemeente, hulpverlening, zorg en andere betrokken partijen.

Dagelijks Bestuur VOCM
December 2002

Referenties

Titel
Evaluatie coffeeshopbeleid
Corporatieve auteur
Gemeente Maastricht

titel
De Wet ‘Damocles’ : bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet
Auteurs
W.A.G. Hillenaar; E.H.M. Franssen; D.D.H. Leue; R.L. Timmermans

Titel
De bestuursrechtelijke bestrijding van drugsoverlast: een beschrijving vanuit de praktijk
Auteur
J.M.G. Vincken

Titel
De Burgemeester in de Opiumwet
Auteur
H.Ph.J.A.M. Hennekens

Titel
Aantal coffeeshops en gemeentelijk beleid in 2001
Auteurs
B. Bieleman; P. Goeree

Titel
Het Nederlands drugsbeleid: continuïteit en verandering
Uitgever
Ministerie van VWS, Ministeries van Justitie, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Titel
Drugsbeleid: voortgangsrapportage
Corporatieve Auteur
Ministerie van VWS

Titel
Coffeeshops in Nederland: aantallen en gemeentelijk beleid in 2000
Auteurs
B. Bieleman; P. Goeree
Corporatieve auteurs
Stichting Intraval, Ministerie van Justitie, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC)

Titel
De economische effecten van coffeeshops voor Maastricht
Auteur
M. Oude Wansink; Wetenschapswinkel Universiteit Maastricht

Titel
Project Hektor; integraal veiligheidsbeleid
Corporatieve auteur
Gemeente Venlo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *