Manifest 30 jaar gedogen

MANIFEST 30 JAAR GEDOGEN

Inleiding

In 1976 is de Opiumwet gewijzigd. Daardoor ontstond in Nederland een andere houding ten opzichte van cannabis. Deze houding kennen we tegenwoordig als het gedoogbeleid. Het gedogen van cannabis duurt inmiddels 30 jaar. In die 30 jaar is er veel veranderd. Zo worden cannabisproducten anno 2006 in gedoogde coffeeshops verkocht, wordt de consument niet meer als een crimineel beschouwd en vindt de productie van cannabis ook voor een belangrijk deel in Nederland plaats.
Ondanks grote belangstelling voor het gedoogbeleid in binnen- en buitenland is in de afgelopen 30 jaar nooit onderzocht in hoeverre de beoogde doelen (de scheiding der markten en decriminalisering van cannabisconsumenten) behaald zijn, en wat de bijdrage van coffeeshops daarin is.

De opstellers van dit “Manifest 30 jaar gedogen” zijn vanuit hun functie bij organisaties en instellingen nauw betrokken bij het cannabisbeleid of zijn zelf werkzaam in de coffeeshopbranche. Zij roepen de overheid op de gevolgen van 30 jaar gedogen breed te evalueren. Daarna kan op een zakelijke en feitelijke wijze worden nagedacht over verdere stappen. Deze evaluatie kan een eerste stap zijn om effectiever op te treden tegen eventuele uitwassen van het gedoogbeleid en op een realistische en pragmatische manier met cannabis om te gaan.

De opstellers zullen zich, ieder binnen de eigen verantwoordelijkheid en invloedssfeer, inspannen om de inhoud van dit manifest toe te lichten.

Namens de opstellers,

Nicole Maalsté

Myranda Bruin

Ronald Motta

Marc Josemans

Korte geschiedenis

Dertig jaar geleden, op 18 oktober 1976, is in Nederland de basis gelegd voor het huidige gedoogbeleid door cannabis op lijst 2 van de Opiumwet te plaatsen. Bij wet van 1 november 1976 (Stb. 425) is de Opiumwet van 1928 ingrijpend gewijzigd. Een van de voornaamste wijzigingen was dat het bezit van en binnenlandse handel in hennepproducten weliswaar strafbaar bleven, maar dat bij kleine hoeveelheden (niet meer dan 30 gram) niet langer sprake was van een misdrijf maar van een overtreding.
Het beoogde doel was om de markten van drugs met een zo geheten aanvaardbaar risico te scheiden van drugs met een onaanvaardbaar risico. In de volksmond gaat het hier om het uit elkaar houden van soft- en harddrugs.
De ratio achter deze scheiding is dat de overheid wil voorkomen dat consumenten bij de aanschaf van cannabis (soft drugs) in aanraking komen met andere drugs.
In de praktijk betekent dit dat cannabis een lagere opsporingsprioriteit kent en dat de verkoop onder strikte voorwaarden is gedoogd.
Een tweede doelstelling was het decriminaliseren van de cannabisconsument.

Uit de Richtlijnen voor het opsporing- en vervolgingsbeleid inzake strafbare feiten voor de Opiumwet, Stcrt. 1980, nr. 137 blijkt dat aanvankelijk slechts de huisdealer werd gedoogd. Als huisdealer werd beschouwd de handelaar in hennepproducten, die met het vertrouwen en onder bescherming van de staf van een jongerencentrum met uitsluiting van anderen gelegenheid kreeg in dat jongerencentrum hennepproducten te verkopen. Alleen als de huisdealer zich publiekelijk zou afficheren of op een andere wijze provocerend zijn handel zou bedrijven werd in overleg met het lokale bestuur tot strafrechtelijk ingrijpen overgegaan.
Al snel verschoof de handel in cannabis van de jongerencentra naar coffeeshops. Deze zaken werden vanwege de geringe opsporingsprioriteit voor cannabis ongemoeid gelaten zonder dat er sprake was van een formeel vastgesteld gedoogbeleid.
In deze coffeeshops werden regels vanuit de shop vastgesteld waar klanten zich aan moesten houden, de zgn. huisregels, die later de basis vormden voor het landelijk gedoogbeleid. In december 1991 is door de vergadering van procureurs-generaal besloten het in de verschillende arrondissementen ontwikkelde “AHOJ beleid” (geen Affichering, geen Harddrugs, geen Overlast, geen verkoop aan personen Jeugdigen onder 18 jaar, maximale verkoophoeveelheid 30 gram) te verheffen tot landelijk beleid.
Deze richtlijn werd pas op 21 oktober 1994 gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 203).
Hierdoor is de unieke situatie ontstaan dat cannabis in Nederland te koop is via coffeeshops die daarvoor een speciale “gedoogvergunning” hebben.

MANIFEST PAGINA 1

Cannabis is wereldwijd de meest gebruikte illegale drug. Het is na alcohol zelfs de meest verspreide drug en cannabis heeft dan ook een rijke historie van gebruik. Het bewustzijnsveranderende gebruik was tot 500 AD voornamelijk in India te vinden, daarna verspreidde het gebruik zich naar Europa, Noord-Afrika en later ook naar de Amerika’s.

2 MILJOEN NEDERLANDERS HEBBEN WEL EENS EEN JOINTJE GEROOKT.
Cannabisgebruik is niet gebonden aan bepaalde typen mensen en het gebruik komt in alle lagen van de samenleving voor. Het varieert van experimenterende pubers tot consumenten van middelbare leeftijd, tot mensen met medische ziekten zoals: kanker, MS of aids. In Nederland hebben meer dan 2 miljoen mensen ooit in hun leven cannabis geprobeerd.
Er zijn 408.000 actuele gebruikers en 78.000 dagelijkse gebruikers.
De startleeftijd ligt rond het 13e levensjaar en is al sinds 1996 stabiel. Cannabisgebruik komt het meest voor bij jongeren van 20 tot 24 jaar.

99% VAN DE CONSUMENTEN VERTOONT GEEN PROBLEMATISCH GEBRUIK.
Voor het merendeel van de consumenten is cannabisgebruik niet gerelateerd aan (ernstige) gezondheidsschade.
Het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Nieuwe Drugs (CAM), een commissie die de overheid informeert over de schadelijkheid van stoffen, stelt dat er “geen argumenten zijn om cannabis als een gevaarlijke drug te bestempelen” en “dat de gevolgen van het gebruik van cannabis op meerdere punten minder ernstig zijn dan die van alcohol of tabak”1.
Het overgrote deel van de consumenten ervaart vooral positieve effecten en heeft het gebruik onder controle. Cannabis is in vergelijking met andere illegale drugs weinig verslavend. Toch kan cannabisgebruik ook risico’s met zich meebrengen. Hoewel er (nog) geen aanvaarde definitie van problematisch cannabisgebruik bestaat2, blijkt uit onderzoek dat 0,3 tot 0,8% volgens de DSM-III-r tot problematische cannabisgebruikers behoort.

AANWEZIGHEID VAN COFFEESHOPS LEIDT NIET TOT EEN TOENAME VAN DE VRAAG.
Ondanks het feit dat cannabis verkrijgbaar is in coffeeshops, is zowel het aantal actuele consumenten als de ‘ooitgebruikers’ in Nederland niet exorbitant hoog. Ter vergelijking: in Frankrijk, Spanje, de Verenigde Staten en Australië heeft respectievelijk 8, 10,11 en 13% van de bevolking het laatste jaar cannabis gebruikt; in Nederland is dit 6%.
Dit betekent dat de verkrijgbaarheid van cannabis via coffeeshops niet bepalend is voor de omvang van het gebruik.
De veronderstelling dat de aanwezigheid van coffeeshops de vraag creëert komt hiermee op losse schroeven te staan.

DE HELFT VAN DE CONSUMENTEN KOOPT CANNABIS NIET IN DE COFFEESHOP.
Cannabis is overigens niet alleen verkrijgbaar in coffeeshops. Ongeveer de helft van de consumenten van 18 jaar en ouder haalt zijn cannabis bij de coffeeshop (47%)3.

1 CAM, 2003.
2 NDM, 2005, p.39.
3 NDM, 2005, p.33.

PAGINA 2
De andere helft koopt cannabis bij een illegaal verkooppunt, krijgt het via vrienden en/of bekenden of kweekt zijn eigen wiet.
De belangrijkste redenen om niet bij een coffeeshop te kopen zijn de prijs, de hoeveelheid en de afstand tot de dichtstbijzijnde coffeeshop.
Hierbij gaat het om consumenten die meer dan 5 gram willen kopen (bijvoorbeeld omdat zij ver van een coffeeshop wonen) en (veel)gebruikers voor wie de cannabis in de coffeeshop te duur is.
En omdat 78% van de Nederlandse gemeenten geen coffeeshops toelaten (nuloptie) is de afstand naar de coffeeshop in sommige gebieden vaak ook een probleem.
Hierdoor ontstaat in deze gemeenten een illegaal netwerk van cannabisverkooppunten waarmee de openbare orde en de volksgezondheid niet gediend worden, terwijl dit toch belangrijke pijlers van het gedoogbeleid zijn.

VEEL COFFEESHOPS HEBBEN EEN SOCIALE FUNCTIE.
Met name in de grotere steden maken coffeeshops een geïntegreerd onderdeel uit van de functies van dit gebied en leveren een bijdrage aan het uitgaansleven en de toerisme-industrie. Zij vormen een natuurlijk onderdeel van het uitgaansleven. Het kopen of gebruiken van cannabis is niet de enige reden om deze gelegenheden te bezoeken4.
De coffeeshops vervullen hiermee een aanvullende functie binnen het complete pakket aan uitgaansmogelijkheden die grotere steden bieden5.
Daarnaast staan zij bekend als gelegenheden waar Nederlanders van verschillende afkomst zonder problemen bij elkaar komen en kunnen zij in dit opzicht als een van de weinige plekken worden gezien waar waarachtig sprake is van integratie6.

COFFEESHOPS ZIJN IN FISCAAL OPZICHT REGULIERE ONDERNEMINGEN
Coffeeshophouders zijn in fiscaalrechtelijk opzicht regulier aan heffing onderworpen.
Zij dragen net als iedere andere onderneming belasting af over hun winsten (inkomsten- of vennootschap-).
Over de personeelsleden die werkzaam zijn in coffeeshops dragen zij loonbelasting en sociale premies af. Volgens het oordeel van de Centrale Raad is de coffeeshophouder premieplichtig over zijn personeel7.
Hiermee staat vast dat het gedoogbeleid diep in onze samenleving is geworteld. De Centrale Raad volgt hierin de consistente zeer langdurige gedoogpraktijk en niet de formele Opiumwet.
In bijna 80% van de gemeenten is de consument voor de aanschaf van cannabis op het niet-gedoogde circuit aangewezen
Als gevolg van het steeds strengere handhavingsbeleid neemt het aantal coffeeshops in Nederland elk jaar af. De afgelopen zes jaar daalde het aantal coffeeshops van 846 in 1999 naar 729 aan het einde van 2005.
Deze ondernemingen liggen verspreid over 105 Nederlandse gemeenten. Ongeveer de helft van de coffeeshops ligt in een van de drie grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag).
In 78% van de Nederlandse gemeenten zijn er geen coffeeshops8. Deze gemeenten hanteren een nuloptie.

LIGGING VAN DE COFFEESHOPS HEEFT GEEN INVLOED OP HET GEBRUIK ONDER MINDERJARIGEN.
Het idee dat de aanwezigheid van een coffeeshop het gebruik onder minderjarigen stimuleert, is onjuist. Allereerst is het aantal minderjarige gebruikers in Nederland lager dan in andere landen.

4 Maalsté, 1994; Maalsté e.a., 2005
5 Dienst Onderzoek en Statistiek Amsterdam, 2003, factsheet nr. 5.
6 Loor de, 1994.
7 Zie: AB 2002/207, 21 februari 2002: “Aangezien de verkoop van softdrugs in een gedoogde coffeeshop is toegestaan althans niet kan leiden tot strafvervolging, is de verkoop van softdrugs in een gedoogde coffeeshop naar het oordeel van de Raad niet in strijd met de openbare orde. Daarom is de Raad van oordeel dat ook de arbeidsovereenkomst tussen de houder van een gedoogde coffeeshop en de verkoper van softdrugs in een gedoogde coffeeshop naar inhoud noch strekking in strijd is met de openbare orde, zodat van een nietige overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 1 BW geen sprake is”.
8 Bieleman e.a., 2006.

PAGINA 3
Ten tweede is het gebruik onder minderjarigen in gemeenten zonder coffeeshops even hoog als in gemeenten mét coffeeshops.
Een afstandscriterium ten opzichte van scholen of andere jeugdinstellingen is daarom overbodig10.
Bovendien mogen coffeeshops geen minderjarigen toelaten op straffe van (tijdelijke) sluiting.

HET GEDOOGBELEID RICHT ZICH UITSLUITEND OP DE VOORDEUR.
De verkoop van cannabis via coffeeshops wordt gedoogd. Dit betekent niet dat cannabis geen illegale drug meer is, maar dat de verkoop van cannabis onder strikte voorwaarden wordt gedoogd.
Deze voorwaarden, de zogenoemde AHOJ-G criteria11, worden streng gecontroleerd door lokale handhavingambtenaren. Daarnaast hebben gemeenten vaak nog eigen voorwaarden aan coffeeshops in een lokaal gedoogbeleid vastgelegd12.
De afwezigheid van coffeeshops betekent overigens niet dat een gemeente geen beleid voert ten aanzien van coffeeshops. In 2005 blijkt slechts 5% van de gemeenten geen coffeeshopbeleid te hebben. Verder voert 72% van de gemeenten een nulbeleid, 22% een maximumbeleid en 1% een beleid zonder maximum13.

Het gedoogbeleid kent alleen voorwaarden voor de verkoop van cannabis (de zogenoemde voordeur) en regelt niets voor de productie en groothandel (ofwel de achterdeur). In de loop der jaren zijn de eisen aan die voordeur steeds groter geworden, terwijl er niet of nauwelijks controle is op de achterdeur.
In dit kader zien we wel een grotere inzet en strengere controle op de illegale teelt, die de toelevering sterk beïnvloedt.

AANBOD VAN NEDERLANDSE WIET IS ENORM TOEGENOMEN.
In de jaren ’80 rookten de meeste consumenten hasj. Een klein deel rookte buitenlandse wietsoorten (zoals Colombiaanse of Thaise wiet).
Het aanbod van de wiet van eigen bodem was zeer beperkt en de kwaliteit werd als inferieur beschouwd.
Intussen is de kwaliteit van de wiet van eigen bodem zo enorm toegenomen, dat deze de andere hasj- en wietsoorten langzaam maar zeker steeds meer uit de markt heeft verdreven.
Inmiddels verkoopt een gemiddelde coffeeshop 70 tot 80% Nederlandse wiet en 20 tot 30% buitenlandse wiet en hasjsoorten14. De consumentenvoorkeur van hasj naar Nederlandse wiet heeft zich in Nederland in minder dan tien jaar voltrokken15.

EEN VERHOGING VAN HET THC GEHALTE LEIDT NAUWELIJKS TOT EXTRA RISICO’S.
Sinds 1999 voert het Trimbos instituut onderzoek uit naar het THC gehalte van cannabis die in Nederlandse coffeeshops verkrijgbaar is.
Hieruit blijkt dat het THC gehalte in hasj en buitenlandse wiet al jarenlang stabiel is en dat het THC gehalte in nederwiet na een toename nu eveneens stabiel is16.
Bovendien is tot op heden niet duidelijk in hoeverre een toename van het THC gehalte schadelijke effecten heeft op de gezondheid van de gebruiker.

9 Ter vergelijking: ooit-gebruik onder 15-16 jarigen in Nederland is in 2003 28%; in Frankrijk is dat 38% en in de Verenigde Staten is dat 36% (NDM, 2006, p.44).
10 IVO, 2006.
11 AHOJ-G richtlijnen Openbaar Ministerie sinds 1996: (geen affichering, geen harddrugs, geen overlast voor omwonenden, geen toegang voor jongeren onder de 18 jaar en geen verkoop van grote hoeveelheden: maximaal 500 gram handelsvoorraad in coffeeshop en maximaal 5 gram per persoon per dag).
12 Bijvoorbeeld: geen verkoop van alcohol in coffeeshops en/of geen concentratie van coffeeshops en APV wijzigingen.
13 Bieleman e.a., 2006.
14 St. Drugsbeleid, 1998, p.48; Jansen in: ESB, 5 april 2002, p.276.
15 Jansen in: Highlife, 2002/2003, jrg. 11, nr.6, p.28.
16 Overigens is het gemiddelde percentage THC van nederwiet nog steeds lager dan dat van geïmporteerde hasj (respectievelijk 17,5% en 18,7%). Zie: DIMS, 2006.

PAGINA 4
Het CAM heeft in 2003 een
deskundigenoordeel uitgebracht over cannabis met een verhoogd THC gehalte.
Op basis van de beschikbare gegevens komen zij tot de conclusie dat er “in het algemeen niet of nauwelijks extra risico’s zijn verbonden aan het gebruik van cannabis met een ‘hoger’ THC gehalte”.
Er zou mogelijk wel een licht verhoogd risico zijn voor “niet-gewende consumenten (personen die voor de eerste maal gebruiken zoals toeristen)”, maar dat ligt volgens de betrokken deskundigen “eerder aan het onbekend zijn met een juist gebruik van het middel, dan aan het THC gehalte”17.
In een recent artikel komen Engelse onderzoekers tot een vergelijkbare conclusie. Zij menen dat de verhoogde potentie op zich geen aanleiding geeft om te stellen dat er sprake is van grotere risico’s voor de volksgezondheid.
Om dat te kunnen vaststellen is er meer onderzoek nodig naar de relatie tussen de potentie, de dosis en problemen met betrekking tot cannabisgebruik18.

Onderzoek naar gebruikswijzen laat zien dat vooral jonge jongens kiezen voor sterke wiet. Andere consumenten matigen hun gebruik bij consumptie van cannabis met een hoger THC gehalte; voor hen heeft de toename van het THC gehalte dus geen consequenties19.
Verder blijkt uit een onderzoek van het RIVM20 naar korte termijn effecten van sterke wiet, dat de effecten op de gezondheid niet dermate ernstig worden geacht dat ze tot een verandering van het huidige wettelijk regime voor cannabis nopen21.
Ook cannabissoorten met een hoger THC gehalte kunnen nog steeds als soft drug worden beschouwd.

KWALITEITSEISEN STELLEN AAN NEDERWIET VAN BELANG VOOR VOLKSGEZONDHEID.
Uit een onderzoek naar bestrijdingsmiddelen in nederwiet22 blijkt dat de helft van de in 1999 onderzochte monsters bestrijdingsmiddelen bevatte. Het onderzoek kan geen uitsluitsel geven over de risico’s van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van de gebruiker.
Wel achten de auteurs het aannemelijk dat de telers zelf een verhoogd risico lopen bij het toepassen van bestrijdingsmiddelen. Er zijn signalen vanuit de branche dat het gebruik van (schadelijke) bestrijdingsmiddelen in de wietteelt toeneemt.
In het kader van de volksgezondheid is het gewenst kwaliteitseisen te kunnen stellen aan de in coffeeshops aangeboden nederwiet.
Steeds vaker wordt het belang van de volksgezondheid overschaduwd door het justitieel belang, hetgeen niet de bedoeling is van de Opiumwetgever.
De teelt van wiet wordt hard aangepakt. Dit heeft geleid tot een (forse) daling van het aantal kwekers. We zien hierdoor dat de vraag naar nederwiet groter is dan het aanbod.
Dit heeft niet alleen geleid tot (forse) prijsstijgingen, maar ook tot het bewerken van nederwiet! Steeds vaker bewerken winstbeluste handelaren wiet met onbekende producten teneinde het gewicht van de wiet te verhogen.
Het effect op de gezondheid van de consument bij het gebruik van deze vaak moeilijk op te sporen gewichtsverhogende producten is niet bekend23.

EXPERIMENTEN VOOR REGULERING VAN DE ACHTERDEUR ZIJN NOODZAKELIJK.
De cannabis die in coffeeshops te koop is, wordt grotendeels in Nederland geproduceerd.
Kwaliteitscontrole bij de hennepteelt behoort hierdoor niet alleen tot de mogelijkheden, maar is vanuit het oogpunt van de volksgezondheid noodzakelijk.
De roep om experimenten voor regulering van de achterdeur wordt steeds luider.

17 CAM, 2003.
18 King e.a., 2005.
19 Korf et al, 2004.
20 Mensinga e.a., 2006.
21 Dit concludeert de minister van VWS in 2006 in een brief aan de Tweede kamer n.a.v. het RIVM-onderzoek.
22 Traag e.a., 2001.
23 Sennema in: Highlife, 2006, jrg.15, nr. 2, p.19 -23.

PAGINA 5
Het is de hoogste tijd voor zulke
experimenten, eens te meer omdat hiermee een deel van de overlast en illegale teelt in achterstandswijken kan worden weggenomen.
Zo stelt het “Manifest van Maastricht” van december 200524, ook wel het plan Leers genoemd, voor om middels een of meerdere experimentlocaties te gaan beginnen met het opzetten van gecontroleerde hennepteelt.

De Centrale Raad stelt dat de werkzaamheden aan de niet gedoogde achterdeur van de coffeeshop onlosmakelijk verbonden zijn met de gedoogde voordeur.
Immers, als productie in het geheel niet (oogluikend) wordt toegestaan, is het toestaan van de verkoop illusoir25.
Hoe kun je als overheid nu toestemming geven iets te verkopen dat niet mag worden geproduceerd? Deze tegenstrijdigheid kan worden opgeheven door de achterdeur verder te reguleren.

ECONOMISCHE EFFECTEN VAN COFFEESHOPS VOOR NEDERLAND.
De Nederlandse coffeeshops hebben een positief effect op de economie.
Zij verschaffen duizenden volledige banen voor laag opgeleide mensen, zorgen voor een stevige impuls op de regionale economie en brengen tezamen landelijk tientallen miljoenen aan belastinggelden op.
Cijfers van de Universiteit Maastricht uit 200026 spreken alleen al in de regio Maastricht van een totaal gegenereerde omzet van € 26.000.000,- en een werkgelegenheid van 326 fte.
Ook aan deze materie behoort bij een evaluatie van het gedoogbeleid aandacht te worden besteed.

OVERDREVEN BERICHTGEVING BRENGT CANNABIS EN COFFEESHOPS IN DISKREDIET.
De beeldvorming over coffeeshops en cannabis is voor een belangrijk deel gebaseerd op berichtgeving in de media. Vanwege de onduidelijke status – voortkomend uit de gedoogsituatie – leent dit thema zich uitermate goed voor allerlei misvattingen en (vaak ongenuanceerde) sensatieverhalen.
Dit effect is bijvoorbeeld waarneembaar bij de presentatie van nieuwe onderzoeksresultaten.
Deze worden vaak volledig uit de context gehaald, waardoor er onnodig veel onrust wordt veroorzaakt.
Denk bijvoorbeeld aan de berichtgeving rondom beschimmelde wiet27, THC percentages of de relatie met psychiatrische ziektebeelden. Misverstanden hierover blijken bij de cannabisbranche, de cannabisconsumenten en bij de gewone burger een hoop onrust te veroorzaken.

24 Leers e.a., 2005.
25 Zie LJN: AQ6684, nummer uitspraak 02/2796 ALGEM, 5 augustus 2004: “De Raad acht voorts genoegzaam vaststaan dat de voor appellant werkzame personen, behalve met de verkoop van softdrugs, ook belast zijn met activiteiten die niet worden gedoogd. Deze activiteiten zijn echter onlosmakelijk verbonden aan de – gedoogde – verkoop van softdrugs in een coffeeshop en worden ook onmiskenbaar verricht ten behoeve van die verkoop. De Raad is in dit kader ook niet anders gebleken dan dat de wel gedoogde verkoop een beduidende omvang heeft in relatie tot de niet gedoogde activiteiten. In aanvulling op de hiervoor weergegeven jurisprudentie is de Raad dan ook van oordeel dat, gegeven de hiervoor weergegeven omstandigheden, niet gesproken kan worden van nietige arbeidsovereenkomsten.”
22 Oude Wansink, 2001.
27 Leids onderzoek (Hazekamp e.a., 2005) zou aangetoond hebben dat nederwiet uit de coffeeshops in vergelijking met de wiet die speciaal voor medicinaal gebruik is gekweekt, schimmels bevat die schadelijk kunnen zijn voor bepaalde (terminale) patiënten. Patiënten die medicinale wiet gebruiken zouden daarom beter hun wiet via de apotheek kunnen betrekken.

PAGINA 6
DE OPSTELLERS VAN DIT MANIFEST “30 JAAR GEDOGEN” STELLEN DAT:

1. het gebruik van cannabis (legaal dan wel illegaal) als roesmiddel, na alcohol en tabak het meest gebruikt, een niet meer weg te denken verschijnsel is in de Nederlandse (Europese) samenleving.

2. het aantal cannabisconsumenten in Nederland sinds 1976 in vergelijking met andere omringende landen niet onevenredig is toegenomen. Dit, ondanks de relatief eenvoudige verkrijgbaarheid van cannabis via coffeeshops.

3. in iedere Nederlandse gemeente consumenten cannabis gebruiken, terwijl in bijna 80% van deze gemeenten nog steeds geen gedoogde coffeeshop is gevestigd.

4. coffeeshops een positieve bijdrage leveren aan het uitgaansleven en de toeristenindustrie. Bovendien leveren de coffeeshops een belangrijke bijdrage tot de integratie van minderheden doordat ze behoren tot de weinige gelegenheden waar consumenten van verschillende afkomst bij elkaar komen zonder dat dit problemen oplevert.

5. er tot op heden geen evaluatie heeft plaatsgevonden naar de effecten van de verkoop en het gedoogbeleid van cannabis via coffeeshops.

6. er nimmer onderzoek is gedaan naar de effecten en de wenselijkheid van de huidige gedoogregels op de bedrijfsvoering van coffeeshops in het kader van de volksgezondheid en de openbare orde.

7. het van belang is om de hele keten (dus van achterdeur tot voordeur) te reguleren en te controleren zoals dit ook ooit voor alcoholproductie en verkoop is ingesteld (zie drank- en horecawet).

8. de huidige discussies over gedoogbeleid en regulering van de achterdeur telkens verzanden in een aantal onbewezen wetenschappelijke stokpaardjes zoals: gevolgen van een hoger THC gehalte, relatie tot psychiatrische ziektebeelden, relatie tot georganiseerde criminaliteit en ligging van coffeeshops in de buurt van scholen.

9. ondernemers in de cannabisbranche door bestuurders bij het zoeken naar oplossingen voor de achterdeurproblematiek niet of nauwelijks als serieuze gesprekspartners worden gezien.

10. daling van het aantal gedoogde coffeeshops leidt tot een toename van illegale verkooppunten. Hierdoor komt de oorspronkelijke doelstelling van het gedoogbeleid ernstig onder druk te staan.

11. aanscherping van het coffeeshopbeleid en de handhaving vaker meer problemen veroorzaakt dan oplost.

12. stijging van illegale verkooppunten van drugs leidt tot overlast en grotere risico’s voor de volksgezondheid.

13. criminalisering van productie en (groot)handel van in Nederland geproduceerde cannabis ongewenste gevolgen heeft voor de kwaliteit van deze cannabisproducten en daarmee dus ook voor de volksgezondheid.
Daarom roepen de opstellers van dit manifest de Politiek op om de gevolgen van 30 jaar gedogen breed te evalueren. Dit betekent dat niet alleen politieke en juridische gevolgen dienen te worden meegenomen in deze evaluatie, maar dat er ook aandacht is voor gezondheid, welzijn en voor ethische, sociaal-economische en praktische gevolgen.

PAGINA 7
Bijlage: AFBAKENING EVALUATIE

In bijgaand manifest doen wij een oproep om de gevolgen van 30 jaar gedogen breed te evalueren.
Daarbij hebben wij aangegeven dat niet alleen politieke en juridische gevolgen dienen te worden meegenomen in zo’n evaluatie, maar dat er ook aandacht is voor gezondheid, welzijn en voor ethische, sociaal-economische en praktische gevolgen.

In het verleden is gebleken dat er vaak onduidelijkheid bestaat over de wijze waarop een evaluatie gestalte zou moeten krijgen.
Zo ontbreekt het regelmatig aan een eenduidig beeld over welke periode een evaluatie uitspraken doet, wie er in aanmerking komen voor de uitvoering van een evaluatie en welke bronnen er gebruikt gaan worden.
Wij vinden het daarom van belang om van tevoren duidelijkheid te scheppen over de conceptuele structuur van de evaluatie van ´30 jaar gedogen´.

In deze bijlage doen we daartoe een aantal suggesties:

1. Verdere stappen voor regulering worden altijd van de hand gedaan, omdat dit niet mogelijk zou zijn vanwege de internationale verdragen die Nederland heeft ondertekend. Deze verdragen zijn echter gebaseerd op achterhaalde wetenschappelijke kennis. Nederland zou daarom in Europees en internationaal verband meer moeten aandringen op een evaluatie van die verdragen die gebaseerd is op actuele wetenschappelijke kennis.

Martin Jelsma verwoordt dit heel mooi in zijn artikel “Achterdeur open U”: Meer ruimte voor ons cannabisbeleid”, dat te vinden is op de website van Transnational Institute (www.tni.org/archives/jelsma/achterdeur.htm): “Het kan niet zo zijn dat als de Kamer tot een weloverwogen oordeel komt dat om redenen van volksgezondheid en openbare orde een regulering van de achterdeur de beste opties biedt, dat dit niet in gang gezet kan worden vanwege verroeste artikelen uit verdragen van een halve eeuw geleden toen hier in Europa nog vrijwel niemand van cannabis gehoord had en THC zelfs nog niet ontdekt was.”

2. Tijdens de hoorzitting achterdeur problematiek van de vaste kamercommissie van justitie op 9 februari 2006 heeft mr. Raimond Dufour, voorzitter van de Stichting Drugsbeleid, uiteengezet dat binnen de internationale drugsverdragen een regulering van de achterdeur wel degelijk mogelijk is op grond van de artikelen 22 en 28 van het E.V. of door uitbreiding van het opportuniteitsbeginsel.
Bij deze hearing werd deze opvatting door een van de van regeringszijde aangevoerde deskundigen bestreden, maar de andere deskundige van regeringszijde erkende dat Dufour hier een sterk argument had.
Zijn conclusie was dat het daarom een politieke en niet een juridische kwestie was.

3. Er moet aanzienlijk meer ruimte komen voor experimenten met regulering en met harm reduction projecten.
Dit is onontbeerlijk om inzicht te verkrijgen of wijziging van de drugsverdragen überhaupt zinvol is. Bovendien zijn er geen reële sancties te verwachten of regulering nu wel of niet mag volgens de verdragen (zie ook: www.drugsbeleid.nl).

4. Om de huidige impasse te doorbreken kan Nederland de WHO procedure in werking zetten voor een herziening van de classificatie van cannabis in Lijsten I en IV in het Enkelvoudig Verdrag uit 1961. Het verzoek van één lidstaat is voldoende, maar sommige Europese landen zijn te overtuigen om steun te verlenen. Een WHO aanbeveling om cannabis van Lijsten I en IV af te halen zou een belangrijke eerste stap zijn. Het is een mogelijke stap voor de korte termijn die niet gecompliceerd is.

5. De Tweede kamer kan de Gezondheidsraad verzoeken om een uitspraak te doen over de vraag of het belang van de volksgezondheid Nederland niet noopt desnoods, een overigens discutabele, inbreuk te maken op de internationale verdragen.(De Tweede Kamer heeft voor zo’n verzoek om advies van de Gezondheidsraad geen toestemming van het kabinet nodig).

6. Gelet op de diverse gebieden en werkterreinen waarop het gedogen van cannabis van invloed is, de politieke druk (in binnen/ en buitenland) en de vele misvattingen die rondom dit thema spelen, dienen bij de uitvoering en begeleiding van de evaluatie onafhankelijke deskundigen van diverse disciplines betrokken te worden.

Daarnaast zijn wij uiteraard altijd bereid verder om met u van gedachten te wisselen over de wijze waarop de evaluatie in onze ogen plaats dient te vinden.

Bronnen

Amsterdam van JGC, A Oppperhuizen, W van de Brink (2004). Cannabis als risicofactor van schizofrenie. Tijdschrift voor psychiatrie, 46 (2004), nr. 8, p. 515-524.

Bieleman B, H Naayer (2006). Coffeeshops in Nederland 2005. Aantallen coffeeshops en gemeentelijk beleid 1999-2005. Groningen: Intraval.

Brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aan de Tweede Kamer met een reactie op de cannabisbrief (27 april 2004). Den Haag: VNG.

CAM (2003). Informatierapport cannabis. Den Haag: Coördinatiepunt Assesment en Monitoring Nieuwe Drugs.

Dienst Onderzoek en Statistiek Amsterdam (2003). Factsheet nr. 5.

Graveland, Hol (2004). Literatuurstudie Trimbosinstituut 2004: “Kan cannabis biologisch gezien tot schizofrenie leiden”. Utrecht: Universiteit Utrecht, faculteit Biologie.

Hazekamp A, P Sijrier, R Verpoorte (2005). Medicinale cannabis uit de apotheek is redelijk. Leiden: Universiteit Leiden, afdeling Farmacognosie.

Henquet C, J van Os (2004). De nederwaan in rook opgegaan. Commentaar op ‘Cannabis als risicofactor van schizofrenie’. Tijdschrift voor psychiatrie, 46 (2004), nr. 8, p. 553-555.

Jansen, A.C.M. (2002). De economie van de cannabissector. In: ESB, 5 april 2002, p. 276-278.

Jansen, A.C.M. (2002). Het gevecht van professor Bovenkerk tegen cannabis sativa L. In: Highlife, jrg. 11, nr. 6, dec.2002/ jan.2003, p.27-31.

King L, Carpentier C, P Griffiths (2005). Cannabispotency in Europe. Addiction, 100, p 884-886.

Korf DJ, M Wouters, A Benschop, P van Ginkel (2004). Sterke wiet. Een onderzoek naar blowgedrag, schadelijkheid en afhankelijkheid van cannabis. Amsterdam: Rozenberg Publishers.

Leers G, B van der Ham, N Albayrak, F Weekers (2005). Manifest van Maastricht, de achterdeur gereguleerd. Maastricht: 2 december 2005.

Loor, de A (1994). Hashcoffeeshops en hun bezoekers; Beschouwingen over gebruik en handel van hash in Nederland en een onderzoek naar de sociale functies van 115 Amsterdamse hashcoffeeshops. Amsterdam: Adviesbureau drugs.

Maalsté N, C Barendregt (2005). Factsheet Gemeentescan coffeeshops. Rotterdam: IVO.

Maalsté, N (1994). Cannabis in Utrecht (deel 1): Van Koffieshop tot Hennepwinkel. Sociale functies van koffieshops (2e gewijzigde druk). Utrecht: CVO, Universiteit Utrecht.

Mensinga Tj T, I de Vries, M Kruidenier, CC Hunault, IS van den Hengel-Koot,
JW Fijen, MEC Leenders & J Meulenbelt (2006). Dubbel-blind, gerandomiseerd, placebogecontroleerd, 4-weg gekruist onderzoek naar de farmacokinetiek en effecten van cannabis. Bilthoven: RIVM.

Ministerie van VWS (2004).
Interdepartementale brief cannabisbeleid. Den Haag: ministeries van VWS, Justitie en BZK.

Ministerie van VWS (2006). Hoog THC-gehalte in cannabis. Brief aan Tweede Kamer. Den Haag: ministerie van VWS.

Monshouwer K, S van Dorsselaer, A Gorter, J Verdurmen, W Vollebergh (2004). Jeugd en riskant gedrag. Kerngegevens uit het peilstationsonderzoek 2003. Utrecht: Trimbos-instituut.

NDM (2005). Nationale Drugsmonitor. Jaarbericht 2005. Utrecht: Trimbos-instituut.

Niesink, RJM, FTA Pijlman, S Rigter, J Hoek, H Goldschmidt (2006). THC-concentraties in wiet, nederwiet en hasj in Nederlandse coffeeshops (2005-2006). Utrecht: Trimbos-instituut.

Oude Wansink, M (2001). De economische effecten van coffeeshops voor Maastricht. Maastricht: Wetenschapswinkel Universiteit.

Platform Cannabisondernemingen Nederland (2004). Notitie Wolken uit de coffeeshop. Leeuwarden: PCN.

Platform Cannabisondernemingen Nederland (2003). Notitie ‘ De groene gulden middenweg’ ofwel ‘ Het cannabis ei van Columbus’ – naar een officieel gedoogbeleid van cannabisproductie voor eigen gebruik. Leeuwarden: PCN.

Polak, F (2001). Cannabis in verhouding tot andere drugs. Hoe verhoudt de wettelijke regeling van cannabis zich tot die van de andere verboden roesmiddelen? Publicaties: www.drugsbeleid.nl.

Polak, F (2004). Wat is het verband tussen gebruik van cannabis en chronische psychose (schizofrenie)? Publicaties: www.drugsbeleid.nl.

Sennema, J (2006). Vraagtekens bij behandelde wiet. In : Highlife, jrg.15, nr. 2, april/mei 2006, p.19-23.

Smit, F, L Bolier & P Cuijpers (2003). Cannabisgebruik waarschijnlijk oorzakelijke factor bij het ontstaan van latere schizofrenie. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 147 (44): 2178-2183.

St. Drugsbeleid (1998). Coffeeshop uit de schaduw. Plan voor regulering van de ‘achterdeur’. Haarlem: stichting Drugsbeleid.

Traag WA, H Gercek, D Kloet, HD Wychgel, LS Faassen, RP Kerssenaker (2001). Onderzoek naar residuen van bestrijdingsmiddelen in nederwiet. Wageningen: RIKILT.

Vogelzang A, A Boersma & A van der Poel (2006). Blowen in Tilburg. Cannabisgebruik en -verwerving door minderjarigen en de rol van frequent blowen bij problematisch gedrag. Rotterdam: IVO.

Wolff FA de (2001). Expert-verslag over het rapport THC-concentraties in wiet, nederwiet en hasj in Nederlandse koffieshops (2000-2001). Amsterdam: 20 aug. 2001.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *